Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Geelborstzanger
Geelborstzanger | Icteria virens
Yellow-breasted Chat | Buscabreña
De geelborstzanger is een grote, dikbekkige zangvogel van dichte struwelen in Noord-Amerika, die lang tot de Amerikaanse zangers werd gerekend. Zijn plaats in het systeem was altijd onzeker; tegenwoordig wordt hij meestal in een eigen familie (Icteriidae) geplaatst, verwant aan de troepialen, waarbij deze gids hem indeelt. In het Caribisch gebied is hij een zeldzame wintergast in het noordwesten.
Geluid
In de winter vooral een harde, droge tsjak en een nasaal kjoe uit dichte begroeiing. De zang, een onregelmatige reeks fluittonen, klokken, krassen en nagebootste geluiden met lange pauzen ertussen, is in het gebied zelden te horen.
Opname: Mario Reyes Jr — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
17–19 cm, veel groter en zwaarder dan een Amerikaanse zanger, met een lange staart en een dikke, gebogen zwarte snavel. De bovendelen zijn egaal olijfgroen, keel en borst helder geel, de buik en onderstaart wit. Een witte bril, gevormd door een wenkbrauwstreep boven het oog en een halve ring eronder, loopt naar de snavel; daaronder een smalle witte baardstreep langs een grijze tot zwartachtige teugel. De poten zijn donkergrijs. De seksen lijken op elkaar; vrouwtjes hebben een grijzere teugel en een iets doffere borst. Eerstejaars vogels zijn doffer, met een lichtere snavelbasis.
Verwarringssoorten
De gewone maskerzanger Geothlypis trichas en de Bahamamaskerzanger Geothlypis rostrata zijn veel kleiner, met een dunne snavel, een gele onderstaart en zonder witte bril. De grijskopzanger Geothlypis philadelphia heeft een grijze kop en een geheel gele buik. De geelborstvireo Vireo flavifrons heeft eveneens een gele keel en borst, maar twee witte vleugelstrepen, een grijze stuit en een kortere staart, en leeft hoger in de bomen.
Leefgebied
Dichte, lage begroeiing: kuststruweel, doornstruweel, verruigde akkerranden en de onderbegroeiing van open bos en bosranden. Leeft verborgen en beweegt zich langzaam door het struikgewas, waar de vogel insecten en, in de winter vooral, bessen en vruchten eet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzame wintergast op de Bahama's en Cuba, iets regelmatiger op de Kaaimaneilanden; op Jamaica een dwaalgast, elders in het gebied niet vastgesteld. Broedt van het zuiden van Canada door de Verenigde Staten tot in Noord-Mexico en overwintert vooral in Mexico en Midden-Amerika.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van november tot maart in dicht struweel op de Bahama's, in West-Cuba of op de Kaaimaneilanden. De vogel laat zich zelden zien en wordt meestal opgemerkt aan de harde roep; geduldig wachten aan de rand van een struweel met vruchtdragende struiken geeft de beste kans.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is in Noord-Amerika wijdverbreid, al gaan de aantallen plaatselijk achteruit doordat verruigd land weer bos wordt of wordt ontgonnen. In het Caribisch gebied gaat het om enkele vogels per jaar.
Wetenschappelijke naam
Icteria virens | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Turdus virens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icteria werd in 1808 ingevoerd door Vieillot. Icteria is afgeleid van het Griekse ikteros 'geelzucht', ook de naam van een gele vogel, naar de felgele borst. virens is Latijn voor 'groen', naar de olijfgroene bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het binnenland van South Carolina.



