Alle soorten › Zangvogels › Cubaanse zangers › Forns zanger

Forns zanger | Teretistris fornsi

Oriente Warbler | Pechero

Forns zanger is de oostelijke van de twee soorten van de familie Teretistridae, die alleen op Cuba voorkomt; de geelkopzanger vervangt hem in het westen. De Engelse naam Oriente Warbler verwijst naar het oostelijke deel van het eiland. Er worden twee ondersoorten onderscheiden, waarvan turquinensis in het oostelijke gebergte leeft. Op Cuba heet hij pechero.

Forns zanger (Teretistris fornsi)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks zoemende tonen afgewisseld met zachtere, meer muzikale klanken, sterk lijkend op die van de geelkopzanger. De roep is een scherp tsjip.

Luister: ZangXC1059622

Opname: Lionel FREDERIC — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 13 cm, met een vrij lange, licht gebogen, donkere snavel. Kruin, nek en bovendelen zijn grijs; gezicht, keel en het grootste deel van de onderdelen zijn geel. De buik en onderstaartdekveren zijn wit, de flanken dof bruinig overwaasd. De ondersoort turquinensis van de Sierra Maestra is iets groter, met een roetgrijze kruin en bovendelen en grijze in plaats van bruinige flanken. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De geelkopzanger Teretistris fernandinae heeft een geheel gele kop en grijswitte onderdelen en leeft in het westen. De geelkeelzanger Setophaga dominica, een wintergast, heeft eveneens een gele keel, maar een zwart-wit gezicht, witte vleugelstrepen en zwarte streping op de flanken. De prairiezanger Setophaga discolor is olijfgroen van boven, met zwarte strepen op de gele flanken.

Leefgebied

Bostypen met een betrekkelijk ongestoorde ondergroei: halfdroog bos en struweel aan de kust, droog en halfgroen loofbos en vochtiger bergbos op grotere hoogte, van zeeniveau tot bijna 2000 m. Foerageert van de grond tot in de middelste laag van het bos, vooral door prooien van takken en bladeren te pikken, soms ook fladderend. Eet vooral kevers, daarnaast andere insecten en ongewervelden en kleine hagedissen. Broedt van maart tot juli; het nest van mos, gras en worteltjes zit vaak in een Tillandsia op ongeveer 1 m hoogte. Het legsel telt twee of drie eieren.

Verspreiding en trek

Alleen op Cuba: in het oosten van het eiland, in de voormalige provincie Oriente vrij aaneengesloten, langs de noordkust meer verbrokkeld westwaarts tot in de provincie Matanzas, en op de cayos van de Sabana-Camagüey-archipel ten noorden van Cuba. Buiten Cuba komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te vinden op Cayo Coco en Cayo Guillermo, in het kustbos langs de wegen en paden, en in de Sierra Maestra. Groepjes zijn vaak eerst aan hun roep te horen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in het oosten van Cuba en op de noordelijke cayos algemeen, waar de ondergroei van het bos intact is.

Wetenschappelijke naam

Teretistris fornsi | Gundlach, 1858

Gundlach beschreef de soort in 1858 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Teretistris werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Teretistris is Grieks, van teretisma 'gefluit, getjilp' (teretizō 'tjilpen'), naar de schelle roepjes van deze zangers. fornsi eert Ramón Manuel Forns (1812–1881), Cubaans natuuronderzoeker en verzamelaar. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oost-Cuba.