Alle soorten › Zangvogels › Cubaanse zangers › Geelkopzanger
Geelkopzanger | Teretistris fernandinae
Yellow-headed Warbler | Chillina
De geelkopzanger is een van de twee soorten van de familie Teretistridae, die alleen op Cuba voorkomt. Beide werden lang tot de Amerikaanse zangers gerekend; DNA-onderzoek leidde tot een eigen familie, die sinds 2017 door de American Ornithological Society wordt erkend. De geelkopzanger leeft in het westen van Cuba, Forns zanger in het oosten. Op Cuba heet hij chillina.
Geluid
Een snel, hoog, staccato gekwetter, vaak herhaald als tsi-tsi-tsi, en de zang is een reeks zoemende, krassende tonen afgewisseld met zachtere, meer muzikale klanken, zoals tsi-tsi-tsi…tzieet-tzieet…tsi-tsi-tsi.
Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 13 cm, met een vrij lange, licht gebogen, zwartachtige snavel met een grijze basis. De hele kop is geel, met een olijfkleurige zweem op kruin en nek, en het oog is geel omrand. De bovendelen zijn grijs, de onderdelen lichter grijswit. De poten zijn blauwgrijs. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
Forns zanger Teretistris fornsi heeft een grijze kruin, een geel gezicht en gele onderdelen, en leeft in het oosten van Cuba; de verspreidingsgebieden overlappen nauwelijks. De olijfkapzanger Setophaga pityophila van het pijnbos in het westen heeft een gele keel en borst, maar een olijfgroene kap en witte vleugelstrepen. Het vrouwtje van de monnikszanger Setophaga citrina, een wintergast, is olijfgroen van boven en geel van onder.
Leefgebied
Alle bostypen met een betrekkelijk ongestoorde ondergroei, van laagland tot in de bergen: droog en halfgroen loofbos, kalksteenbos op de mogotes, pijnbos en kustbos, en daarnaast struikgewas in drogere streken. Zoekt in de ondergroei en op de grond tot in de middelste laag naar insecten en andere ongewervelden, die van takken en bladeren worden gepikt. Foerageert vaak in groepen en vormt dan de kern van gemengde groepen, in de winter ook met Noord-Amerikaanse zangers. Broedt van maart tot juli in een kom laag in een struik, rank of jonge boom; het legsel telt twee of drie eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen in het westen van Cuba, van het schiereiland Guanahacabibes en de noordkust van het westen oostwaarts tot in de provincie Matanzas, met het schiereiland Zapata, en op het Isla de la Juventud en Cayo Cantiles. Buiten Cuba komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Te vinden in de Sierra del Rosario, op het schiereiland Zapata en op Guanahacabibes. Het gekwetter van een groep is vaak het eerste teken; daarin bewegen ook andere soorten mee. Vooral in de winter is het de moeite waard zo'n groep te volgen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is in het westen van Cuba algemeen, zolang de ondergroei van het bos intact is.
Wetenschappelijke naam
Teretistris fernandinae | (Lembeye, 1850)
Lembeye beschreef de soort in 1850 als Anabates fernandinae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Teretistris werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Teretistris is Grieks, van teretisma 'gefluit, getjilp' (teretizō 'tjilpen'), naar de schelle roepjes van deze zangers. fernandinae eert José María Herrera y Herrera, graaf van Fernandina (1788–1864), Spaans grootgrondbezitter op Cuba; Fernandina was ook een vroege naam voor Cuba. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.





