Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Bonte kuifarend

Bonte kuifarend | Spizaetus ornatus

Ornate Hawk-Eagle | Águila elegante

De bonte kuifarend is een krachtige bosarend met een lange, rechtopstaande zwarte kuif en een roodbruine hals. Hij jaagt vooral op grotere vogels en zoogdieren in het bladerdak en heeft uitgestrekt, ongestoord bos nodig. In het gebied komt hij alleen op Trinidad voor, waar hij zeldzaam is.

Bonte kuifarend (Spizaetus ornatus)
Foto: Luis Mora — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide reeks fluittonen, wie-wiee-wiee-wiep, meestal in de vlucht; vanaf een zitplaats ook een oplopend ka-lie-oe gevolgd door een versnellende, lachende reeks. Jonge vogels bedelen met een herhaald wieeuw.

Luister: ZangXC1155805

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

56–68 cm. Volwassen vogels hebben een zwarte kruin met een lange, spitse kuif, roodbruine wangen, zijhals en borstzijden, en een witte keel die door een zwarte baardstreep wordt omlijnd. De bovendelen zijn zwartachtig, de onderdelen wit met brede zwarte banden op flanken, buik en de bevederde poten. De zwarte staart heeft drie of vier lichtgrijze banden. In vlucht zijn de vleugels breed en rond, met witachtige, gebandeerde ondervleugels. Jonge vogels hebben een witte kop en witte onderdelen, met alleen enige banden op flanken en poten, en een bruinzwarte rug; het volwassen kleed wordt pas na enkele jaren bereikt.

Verwarrings­soorten

De zwarte kuifarend Spizaetus tyrannus is volwassen grotendeels zwart; jonge zwarte kuifarenden zijn bruin en gestreept, niet wit. Jonge grijskopwouwen Leptodon cayanensis in de lichte vorm lijken op jonge bonte kuifarenden, maar zijn kleiner, met een kleine snavel, een zwarte oogstreep en onbevederde poten. De grote bonte buizerd Pseudastur albicollis is wit met zwarte vleugels en een witte staart met één zwarte band, zonder kuif.

Leefgebied

Hoog, vochtig bos en bergregenwoud, van het laagland tot in de hogere delen van de bergen; de soort mijdt sterk versnipperd bos. Ongeveer de helft tot twee derde van de prooien zijn vogels, zoals hoenderachtigen, duiven en toekans; daarnaast eekhoorns, agoeti's en andere zoogdieren. Prooien kunnen meermaals zo zwaar zijn als de arend zelf. Het nest is een groot takkenplatform hoog in een woudreus.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen op Trinidad, in de bossen van de Northern Range en enkele grotere bosgebieden elders op het eiland, overal zeldzaam. Buiten het gebied van Mexico door Midden-Amerika en een groot deel van Zuid-Amerika tot het noorden van Argentinië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in de ochtend, wanneer vogels hoog boven de bossen van de Northern Range cirkelen en roepen. Vanuit uitzichtpunten met een wijd zicht over beboste dalen is de kans het grootst. Een zittende vogel in het bladerdak wordt zelden gevonden.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort heeft grote, aaneengesloten bossen nodig en verdwijnt waar bos wordt gekapt of versnipperd; om die reden is ze in 2016 opgewaardeerd naar gevoelig. Op Trinidad is de populatie klein en daardoor kwetsbaar.

Wetenschappelijke naam

Spizaetus ornatus | (Daudin, 1800)

Daudin beschreef de soort in 1800 als Falco ornatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spizaetus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Spizaetus is Grieks, van spizias 'havik' en aetos 'arend': 'haviksarend'. ornatus is Latijn voor 'versierd', naar de kuif en het bonte, rossig-zwart-witte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.