Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Cubaanse zwarte buizerd
Cubaanse zwarte buizerd | Buteogallus gundlachii
Cuban Black Hawk | Gavilán batista
De Cubaanse zwarte buizerd is een grote, donkere buizerd van de kusten en mangrovegebieden van Cuba. Hij werd lang als ondersoort van de zwarte buizerd Buteogallus anthracinus beschouwd, maar verschilt in stem en tekening en geldt nu als aparte, endemische soort. Op Cuba heet hij gavilán batista.
Geluid
Een luid, piepend wiet-WIET-wjoe of wiet-WIET-wjoe-puh, waarbij de tweede toon het sterkst is; verder een hees gekrijs en een kakelend geroep.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
43–52 cm; het vrouwtje is groter dan het mannetje. Zeer brede vleugels en een korte staart. Volwassen vogels zijn zwartbruin, de onderdelen iets lichter en grijzer met vage bandering. Tussen oog en snavel zit een lichte, grijsachtige vlek, en er is een vage witte baardstreep. Snavelbasis, teugel en poten zijn diepgeel tot geeloranje, de snavelpunt zwart. In vlucht vallen aan de onderkant grote witachtige vlekken aan de basis van de handpennen op. De staart is zwart met een brede witte band halverwege en een smalle witte punt. Jonge vogels zijn bruin van boven en wit van onder met zware donkerbruine strepen, en hebben een lichter oog.
Verwarringssoorten
Op Cuba de enige zwarte buizerd. De kalkoengier Cathartes aura heeft een kale, rode kop, lange vleugels met lichte achterrand en zweeft met de vleugels in een V. De zwarte gier Coragyps atratus heeft een kale, grijze kop, een korte staart en witte vlekken op de vleugelpunten, maar mist de witte staartband. Jonge vogels kunnen lijken op jonge roodstaartbuizerds Buteo jamaicensis, die slanker zijn, een langere staart hebben en een donkere band over de buik.
Leefgebied
Mangrove, kustmoerassen en moerasbos, bosranden en beboste kusten, ook op de cayo's; meestal onder 800 m, maar plaatselijk ook in bergbos dichter bij het binnenland. Jaagt vanaf een zitplaats of lopend op de grond, vooral op krabben, daarnaast op hagedissen, knaagdieren, aangespoelde vis en soms vogels. Broedt in een takkennest in een boom, vaak in of bij mangrove.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Cuba, Isla de la Juventud en de grotere cayo's voor de Cubaanse kust, zoals in de archipel Jardines del Rey. Langs de kusten van het hele eiland, het talrijkst in grote mangrovegebieden. Enkele waarnemingen van de Kaaimaneilanden betreffen vermoedelijk dwaalgasten.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De Ciénaga de Zapata en de mangrovegebieden en dijken van Cayo Coco en Cayo Guillermo, waar vogels vaak laag op een tak of paal zitten en vrij weinig schuw zijn. De roep is het snelst te herkennen. In vlucht zijn de brede vleugels met de witte handpenvlekken en de enkele staartband kenmerkend.
Staat van instandhouding
Gevoelig (Near Threatened). De populatie is klein en gaat vermoedelijk achteruit door het droogleggen en aantasten van mangrove en kustmoerassen, onder meer door toeristische ontwikkeling op de cayo's. Verstoring van broedplaatsen en het afschieten van vogels spelen plaatselijk ook een rol.
Wetenschappelijke naam
Buteogallus gundlachii | (Cabanis, 1855)
Cabanis beschreef de soort in 1855 als Hypomorphnus Gundlachii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Buteogallus werd in 1830 ingevoerd door Lesson. Buteogallus is Latijn, van buteo 'buizerd' en gallus 'haan, hoen'; de reden voor dat tweede deel is niet duidelijk. gundlachii eert de Duits-Cubaanse natuuronderzoeker Juan (Johannes) Gundlach (1810–1896). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.






