Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Geelkopcaracara
Geelkopcaracara | Daptrius chimachima
Yellow-headed Caracara | Caracara chimachima
De geelkopcaracara is een kleine, lichtgebouwde caracara van open, licht beboste landschappen in Zuid-Amerika en het zuiden van Midden-Amerika. Op Trinidad heeft de soort zich rond het midden van de 20e eeuw gevestigd en ze is er nu een vertrouwde vogel van weilanden en wegbermen. Hij leeft van aas, insecten en kleine dieren en pikt teken en andere parasieten van vee. Vroeger stond de soort in het geslacht Milvago; op grond van DNA-onderzoek is ze bij Daptrius ingedeeld.
Geluid
Vooral rond het nest en bij ruzie om voedsel luidruchtig. Een rauwe, krassende, dalende schreeuw kieeeah, vaak herhaald, en een raspend kraa-kraa-kraa.
Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
40–46 cm, slank, met een kleine kop, een vrij lange staart en betrekkelijk smalle vleugels. Kop, hals en onderdelen zijn crèmewit tot bleek okergeel, met een smalle donkere streep achter het oog. Rug en vleugels zijn donker zwartbruin. In vlucht valt een lichte vlek aan de basis van de handpennen op. De staart is licht met donkere bandjes en een brede donkere eindband. De naakte huid rond het oog is geel, de snavel lichtblauw en de poten zijn lichtgroen. De seksen zijn gelijk; het vrouwtje is iets zwaarder. Jonge vogels zijn bruiner, met zware bruine strepen op kop en onderdelen.
Verwarringssoorten
De kuifcaracara Caracara plancus is veel groter, met een zwarte kap, een rood gezicht, een zwartbruine buik en een witte staart met een zwarte eindband. De savannebuizerd Buteogallus meridionalis is roestbruin met lange poten en een zwarte staartband. Een gestreepte jonge geelkopcaracara kan aan een buizerd doen denken, maar heeft de typische slanke caracaravorm, de lichte handvlek en de lichtgroene poten.
Leefgebied
Weilanden met vee, savannes, rijstvelden en akkers, kokos- en oliepalmplantages, rivieroevers en bosranden in open land, ook wegbermen en de randen van dorpen; vooral in het laagland. Zit op paaltjes, palmen of op de rug van vee en zoekt lopend of laag vliegend naar aas, verkeersslachtoffers, insecten en larven, hagedissen, slangen, nestjongen en vruchten. Het nest is een open kom van takken hoog in een boom of palm.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Algemene standvogel op Trinidad, vooral in het open laagland van het centrum, het noordwesten en langs de oostkust; in het bosrijke Noordelijk Gebergte schaars. Op Tobago zeldzaam. Op Curaçao en Bonaire als dwaalgast vastgesteld. Buiten het gebied van Nicaragua en Costa Rica door Panama en het noorden van Zuid-Amerika tot in Uruguay en het noorden van Argentinië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het beste in het open land van het centrale laagland van Trinidad, zoals rond de Aripo-savanne en de rijstvelden van Caroni, en langs de grote wegen, waar vogels op hekpalen en lantaarnpalen zitten of aan de berm foerageren. Bij grazend vee of waterbuffels lopen of zitten ze vaak tussen de dieren.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort profiteert van ontbossing en de aanleg van weiland en breidt haar verspreiding in Midden-Amerika uit. Langs wegen vallen verkeersslachtoffers.
Wetenschappelijke naam
Daptrius chimachima | (Vieillot, 1816)
Vieillot beschreef de soort in 1816 als Polyborus chimachima; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Daptrius werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Daptrius is Grieks, van daptēs 'verslinder, eter', van daptō 'verslinden'. chimachima is een klanknabootsende lokale naam uit Paraguay en Argentinië, door Félix de Azara opgetekend en door Vieillot overgenomen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay.





