Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Kuifcaracara

Kuifcaracara | Caracara plancus

Crested Caracara | Caracara quebrantahuesos

De kuifcaracara is een grote, langbenige valk die zich meer als een gier of een kraai gedraagt dan als een valk. Hij loopt veel over de grond, eet aas en zoekt langs wegen naar verkeersslachtoffers, maar vangt ook zelf kleine dieren. De vogels in het Caribisch gebied behoren tot de noordelijke vorm cheriway, die vroeger als aparte soort gold; in deze gids staat ze onder de ruimere opvatting. Op Cuba heet hij caraira, op de ABC-eilanden warawara.

Kuifcaracara (Caracara plancus)
Foto: Luiz Lapa from Oeiras, Portugal — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij het nest en bij ruzie een droog, ratelend krrrak-krrrak, waarbij de kop naar achteren op de rug wordt gegooid.

Luister: VluchtroepXC936233

Opname: Franco Vushurovich — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

50–65 cm, met een grote kop, lange gele poten en brede vleugels. De kruin en een kleine kuif zijn zwart, het gezicht is naakt en rood tot oranje, de snavel is zwaar en blauwgrijs met een lichte punt. Keel, wangen en hals zijn vuilwit, de borst en bovenrug zijn wit met fijne zwarte dwarsbandjes, de rest van het lichaam is zwartbruin. In vlucht vallen vier witte vlakken op: twee lichte vlekken bij de vleugelpunten en de witte hals en staart; de staart heeft fijne bandjes en een brede zwarte eindband. Jonge vogels zijn bruiner, met strepen in plaats van bandjes op borst en rug, en een grijsachtig of roze gezicht. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

Geen andere roofvogel in het gebied combineert een zwarte kap, een rood gezicht en witte vlekken in hand en staart. De zwarte gier Coragyps atratus heeft eveneens witte vlekken bij de vleugelpunten, maar is geheel zwart met een korte staart en een grijze, naakte kop. De kalkoengier Cathartes aura zweeft met de vleugels in een V en heeft een tweekleurige ondervleugel. De savannebuizerd Buteogallus meridionalis op Trinidad is roestbruin met een zwarte staartband.

Leefgebied

Open landschap: savanne, palmsavanne, weiland, akkerland, droog struweel en cactusscrub, ook langs wegen, vuilnisbelten en aan de rand van moerassen. Zoekt lopend of vanaf een uitkijkpost naar aas, reptielen, kleine zoogdieren, vogels, eieren en grote insecten, en jaagt andere roofvogels en gieren prooi af. Het nest is een slordig platform van takken in een palm, een boom of een grote cactus.

Verspreiding en trek

Algemene standvogel op Cuba en Isla de la Juventud, vooral in het open laagland, en op Aruba, Curaçao en Bonaire. Op Trinidad wordt de soort sinds ongeveer 2010 steeds vaker gezien, vooral in het open land in het centrum en oosten; op Tobago zeldzaam. Elders in het gebied hooguit dwaalgast. Buiten het gebied van het zuiden van de Verenigde Staten door Mexico en Midden-Amerika tot Vuurland.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Cuba het beste in de savannes en weilanden van het westen en midden van het eiland, bijvoorbeeld rond Zapata, waar de vogels op palmen en hekpalen zitten of over de weg lopen. Op Curaçao en Bonaire is de soort algemeen langs wegen en bij vuilnisbelten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort profiteert van ontbossing en veeteelt en lijkt zich op Trinidad uit te breiden. Plaatselijk wordt ze bejaagd of vergiftigd, en langs wegen vallen verkeersslachtoffers.

Wetenschappelijke naam

Caracara plancus | (Miller, 1777)

Miller beschreef de soort in 1777 als Falco Plancus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Caracara werd in 1826 ingevoerd door Merrem. Caracara komt van een klanknabootsende Tupi-Guaraní-naam, via Marcgrave (1648), naar de schorre roep. plancus is Latijn voor 'platvoetig'; bij Plinius de naam van een soort arend. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Vuurland.