Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Amerikaanse torenvalk

Amerikaanse torenvalk | Falco sparverius

American Kestrel | Cernícalo americano

De Amerikaanse torenvalk is de kleinste en algemeenste valk van het Caribisch gebied, op veel eilanden de roofvogel die het vaakst te zien is. Hij zit op draden, palen en dode takken langs wegen en jaagt vooral op hagedissen en grote insecten. In het gebied leven vier eigen ondersoorten: sparverioides op Cuba en de Bahama's, dominicensis op Hispaniola en Jamaica, caribaearum op Puerto Rico en de Kleine Antillen en brevipennis op de ABC-eilanden. Op Jamaica heet hij killy hawk, in de Dominicaanse Republiek cuyaya.

Amerikaanse torenvalk (Falco sparverius)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een snelle, hoge reeks kli-kli-kli-kli of killy-killy-killy, vooral bij opwinding en rond het nest; daarnaast een klagend gepiep en een tsjirpend tsjitter.

Luister: ZangXC1101990

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–31 cm, slank, met spitse vleugels en een lange staart. Beide seksen hebben een roodbruine rug en staart, een grijsblauwe kruin met roodbruine vlek en twee zwarte verticale strepen op de witte wangen. Het mannetje heeft blauwgrijze vleugels met zwarte vlekken, een ongebandeerde roodbruine staart met zwarte eindband en lichte, gevlekte onderdelen. Het vrouwtje is iets groter en heeft roodbruine, zwart gebandeerde vleugels, rug en staart. De Caribische ondersoorten zijn van onder vaak minder gevlekt; op Cuba komt naast de lichte vorm een donkere vorm met roodbruine onderdelen voor.

Verwarrings­soorten

Het smelleken Falco columbarius is gedrongener, donkerder en mist de roodbruine rug en de dubbele wangstreep; het vliegt sneller en laag, zonder te bidden. De Amerikaanse sperwer Accipiter striatus heeft afgeronde vleugels, rode ogen en een gebandeerde staart, en vliegt met korte vleugelslagen en glijvluchten. De vleermuisvalk Falco rufigularis op Trinidad is zwart van boven, met een witte keel en een roodbruine buik.

Leefgebied

Open en halfopen landschap: savanne, weiland, akkers, droog bos en struweel, pijnbos, bosranden, tuinen, dorpen en steden, van de kust tot in de bergen. Jaagt vanaf een uitkijkpost of biddend boven open terrein op hagedissen, grote insecten, kleine knaagdieren en kleine vogels. Broedt in boomholten, oude spechtengaten, holten in palmen, rotsspleten en gaten in gebouwen.

Verspreiding en trek

Algemene standvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden en de Kleine Antillen tot St. Lucia; schaarser op St. Vincent en Grenada en vrijwel afwezig op Barbados. Ook standvogel op Aruba, Curaçao en Bonaire. Op de Kaaimaneilanden vooral als wintergast. Op Trinidad en Tobago dwaalgast. Noord-Amerikaanse vogels overwinteren op de Bahama's, Cuba en de Grote Antillen. Buiten het gebied van Alaska en Canada tot Vuurland.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vrijwel overal langs wegen door open land, waar de vogels op elektriciteitsdraden zitten en met wippende staart rondkijken. De roep is een van de vertrouwdste geluiden van het Caribische platteland en verraadt de vogel vaak eerder dan het zicht.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort leeft goed samen met de mens en profiteert van open landbouwgrond en bebouwing. In Noord-Amerika neemt het aantal af, wat de aanvoer van wintergasten kan beïnvloeden.

Wetenschappelijke naam

Falco sparverius | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco voerde hij in datzelfde werk in. Falco is Laatlatijn voor 'valk', van falx, falcis 'sikkel', naar de sikkelvormige klauwen van de vogel. sparverius is middeleeuws Latijn voor 'sperwer', een naam die eigenlijk niet bij deze echte valk past. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.