Alle soorten › Genten en aalscholvers › Aalscholvers › Geoorde aalscholver

Geoorde aalscholver | Nannopterum auritum

Double-crested Cormorant | Cormorán orejudo

De geoorde aalscholver is de grote aalscholver van het noorden van het gebied, met een broedpopulatie op de Bahama's en Cuba. Hij leeft hier vooral aan de kust, in baaien, lagunes en mangrove, en wordt op Cuba daarom corúa de mar genoemd. De vogels van San Salvador op de Bahama's behoren tot de kleine ondersoort Nannopterum auritum heuretum, die broedt in de mangrove rond de binnenmeren van dat eiland. Zijn naam dankt hij aan de twee kuifjes die volwassen vogels kort in de broedtijd boven de ogen dragen.

Geoorde aalscholver (Nannopterum auritum)
Foto: Polinova — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie vrijwel stil. In de kolonie lage, grommende en knorrende geluiden, zoals een diep oek-oek-oek.

Luister: RoepXC638603

Opname: Bruce Lagerquist — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

70–90 cm, een forse, donkere aalscholver met een vrij korte staart en een dikke, gehaakte snavel. Volwassen vogels zijn zwart met een groenige glans en bronsbruine, zwart geschubde vleugeldekveren. Teugel en kale keelhuid zijn helder oranjegeel; de keelzak is aan de achterkant afgerond. In de broedtijd groeien boven de ogen twee kuifjes, die bij de vogels van de Bahama's wit zijn. Jonge vogels zijn grijsbruin, met een lichte, vaak witachtige hals en borst die naar onderen donkerder wordt. In de vlucht is de hals duidelijk geknikt en lijkt de kop iets opgeheven.

Verwarrings­soorten

De bigua-aalscholver Nannopterum brasilianum is kleiner en slanker, met een langere staart, een dunnere snavel, een donkere teugel en een kleine, doffe keelzak die achter de snavel in een punt uitloopt. De slangenhalsvogel Anhinga anhinga heeft een dolkvormige snavel, een zeer dunne hals en zilverwitte vleugeltekening. Jonge geoorde aalscholvers met een lichte borst zijn van jonge bigua-aalscholvers, die egaler bruin zijn, te onderscheiden aan het grotere formaat en de oranje keelhuid.

Leefgebied

Beschutte kustwateren, baaien, zeegrasvelden, mangrove, zoutpannen en kustlagunes, ook rond kleine cays; minder op zoet water dan de bigua-aalscholver, maar plaatselijk op meren en stuwmeren. Vist duikend vanaf het oppervlak, alleen of in groepen. Rust en droogt de vleugels op palen, boeien, wrakken en kale takken. Broedt in kolonies in mangrove, struiken of op de grond van kleine eilandjes.

Verspreiding en trek

Standvogel op de Bahama's, waar de soort op een aantal eilanden broedt, en op Cuba, vooral langs de kusten en op de cays. Op de Turks- en Caicoseilanden regelmatig. In de noordelijke winter komen trekvogels uit Noord-Amerika naar het gebied, en dan duikt de soort ook op op de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico en de Maagdeneilanden, op de meeste van die eilanden schaars. Op de Kleine Antillen een dwaalgast. Buiten het gebied in een groot deel van Noord-Amerika, van Alaska en Canada tot Mexico.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Cuba langs de noordkust en bij de cays van de archipels Sabana-Camagüey en Jardines de la Reina; op de Bahama's in havens en baaien. In de winter op Hispaniola en Puerto Rico de moeite waard om groepen aalscholvers op formaat, staartlengte en de kleur van de teugel te bekijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Noord-Amerika nam de soort in de jaren zestig sterk af door DDT en vervolging, en heeft ze zich daarna hersteld. De kleine populaties op de Bahama's en Cuba zijn kwetsbaar voor verstoring van de kolonies en het kappen van mangrove.

Wetenschappelijke naam

Nannopterum auritum | (Lesson, 1831) (GBIF: Phalacrocorax auritus)

Lesson beschreef de soort in 1831 als Carbo auritus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nannopterum werd in 1899 ingevoerd door Sharpe. Nannopterum is Grieks, van nannos 'dwerg' en pteron 'vleugel', naar de stompe vleugels van de vliegonbekwame Galápagosaalscholver waarvoor het geslacht werd opgericht. auritum is Latijn voor 'geoord', naar de twee kuifjes op de kop in het broedkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika (oorspronkelijk abusievelijk Nieuw-Zeeland).