Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Gestreepte koekoek
Gestreepte koekoek | Tapera naevia
Striped Cuckoo | Cuclillo rayado
De gestreepte koekoek is een bruin gestreepte koekoek met een kuif, die veel vaker gehoord dan gezien wordt: zijn klaaglijke, fluitende roep klinkt urenlang uit het struikgewas van het open land. In het gebied komt hij alleen op Trinidad voor. Anders dan de meeste Amerikaanse koekoeken is hij een broedparasiet: het vrouwtje legt haar eieren in de nesten van andere vogels, die het jong grootbrengen.
Geluid
Een helder, klaaglijk fluitje van twee of drie tonen, wu-wieee of wu-wu-wieee, waarvan de laatste toon het hoogst is. Het wordt lang en eentonig herhaald, vaak vanaf een uitstekende tak, paal of struik, en klinkt buikspreekachtig, zodat de richting van het geluid vaak onduidelijk is. Jonge vogels geven een korter fluitje. De soort reageert sterk op een nabootsing van de roep.
Opname: Paul Molina Abril — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
26–30 cm, met een lange, getrapte staart. De bovendelen zijn grijsbruin tot zandbruin met brede zwartachtige strepen; de kruin is roestbruin met zwarte strepen en vormt een kuif die bij opwinding wordt opgezet. Een lichte wenkbrauwstreep contrasteert met een donkere streep achter het oog. Keel en borst zijn licht beigeachtig, de rest van de onderdelen vuilwit, zonder duidelijke tekening. De snavel is kort en licht gebogen. De duimvleugel is zwart en wordt bij het baltsen en bij onrust uitgestoken, waardoor een donkere vlek tegen de lichte borst afsteekt. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn donkerder, met lichte vlekken op kruin en bovendelen in plaats van strepen. In de vlucht ogen de vleugels kort en rond en de staart lang.
Verwarringssoorten
Op Trinidad lijkt geen andere soort sterk op hem. De andere inheemse koekoeken van het eiland, de eekhoornkoekoek Piaya cayana en de kleine eekhoornkoekoek Coccycua minuta, zijn effen kastanjebruin zonder strepen. De mangrovekoekoek Coccyzus minor is ongestreept grijsbruin, met een zwart oogmasker en een okerkleurige buik. De combinatie van gestreepte bovendelen, een opzetbare roestbruine kuif en een lange, getrapte staart is kenmerkend.
Leefgebied
Open en halfopen land met verspreide struiken en bomen: overgroeide weilanden en akkerranden, ruigte, struweel, bosranden en de randen van mangrove en moeras, vooral in het laagland. Leeft solitair en verscholen, en foerageert op of dicht bij de grond, vooral op sprinkhanen, rupsen en andere grote insecten. Roept vaak vanaf een zichtbare zitplaats, maar duikt bij verstoring snel weg in de begroeiing. Het vrouwtje legt haar witte tot blauwachtige eieren in nesten van vogels met een gesloten of overkoepeld nest, vooral stekelstaarten en ook winterkoningen. Het jong van de koekoek doodt in de eerste dagen na het uitkomen de jongen van de waardvogel met beten van zijn snavel, en wordt daarna alleen grootgebracht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen op Trinidad, waar hij verspreid in het open laagland en aan bosranden voorkomt; op Tobago is de soort niet waargenomen. Buiten het gebied van het zuiden van Mexico via Midden-Amerika tot in Zuid-Amerika, oostelijk van de Andes tot in Bolivia, Paraguay en het noorden van Argentinië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In het open land van Trinidad, in ruige weilanden, akkerranden en struweel in de laagvlakte, valt de soort vooral op door haar roep. De vogel zit tijdens het roepen vaak vrij zichtbaar op een paal, struik of draad, maar gaat tegen een achtergrond van droog gras en takken door de strepen op in de omgeving. Bij het roepen gaat de kuif vaak omhoog en worden de zwarte duimvleugels uitgestoken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied en profiteert van open, door de mens veranderd land met struweel. Op Trinidad is ze verspreid en wordt ze vooral op de roep vastgesteld.
Wetenschappelijke naam
Tapera naevia | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Cuculus naevius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tapera werd in 1819 ingevoerd door Thunberg. Tapera komt van de Tupi-naam Taperá, 'huisbewonende (vogel)', oorspronkelijk voor een soort zwaluw. naevia is Latijn, van naevius 'gevlekt, getekend', naar het gestreepte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.



