Alle soorten › Zangvogels › Ovenvogels en boomklimmers › Grijskeelbladkrabber
Grijskeelbladkrabber | Sclerurus albigularis
Grey-throated Leaftosser | Tirahojas gorgigrís
De grijskeelbladkrabber is een donkere, schuwe ovenvogel van de bosbodem. Hij dankt zijn naam aan de manier van foerageren: met snelle zijwaartse halen van de snavel schuift hij afgevallen bladeren opzij om de prooi eronder bloot te leggen. In het Caribisch gebied leeft hij alleen op Trinidad en Tobago, waar hij lokaal voorkomt en verborgen leeft.
Geluid
Een reeks van vier tot zes piepende, klagende, telkens stijgende tonen in groepjes van drie. Bij alarm of bij het opvliegen een scherp tsjiek of tsjik-tsjik, dat vaak het eerste teken van de vogel is.
Opname: Brayan Coral Jaramillo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–18 cm, gedrongen, met een korte, zwartachtige staart en een lange, rechte, dunne snavel, waarvan de bovensnavel zwart en de ondersnavel licht is. Kruin en rug zijn warm kastanjebruin, de stuit is helderder roodbruin en contrasteert met de donkere staart. Het gezicht is grijsbruin en fijn geschubd. De keel is grijsachtig wit met een donkere onderrand; de borst is diep roodbruin, de buik donkerbruin. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De zwartkeelmierlijster Formicarius analis leeft op Trinidad op dezelfde bosbodem, maar heeft een zwarte keel, een grijze borst en een korte, steeds opgewipte staart. De noordse waterlijster Parkesia noveboracensis, een wintergast, is van onder gestreept en heeft een lichte wenkbrauwstreep; hij wipt met de staart en blijft dicht bij water. De cacaolijster Turdus fumigatus is groter en egaal roestbruin, zonder lichte keel en contrasterende stuit.
Leefgebied
Vochtig, groenblijvend bos in heuvels en lagere bergen, met een open ondergroei en veel strooisel, vaak in ravijnen en langs beken. Foerageert alleen of in paren op de grond en draait daarbij bladeren om op zoek naar insecten, spinnen en andere ongewervelden. Broedt in een zelfgegraven gang in een steile aarden oever, met een nestkom van bladeren in een kamer aan het eind; op Trinidad is broeden gemeld van oktober tot mei.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In het Caribisch gebied alleen op Trinidad en Tobago. Op Trinidad weinig talrijk in het bos van de Northern Range en enkele andere beboste heuvels. Op Tobago zeldzaam en beperkt tot het bos van de Main Ridge; de soort werd daar lange tijd niet waargenomen en in 1998 als teruggevonden gemeld. Buiten het gebied in Costa Rica en Panama, in de bergen van Colombia en Venezuela en langs de oostflank van de Andes tot in Bolivia en het zuidwesten van het Amazonegebied.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Trinidad langs schaduwrijke bospaden in de Northern Range, waar de scherpe alarmroep van een opvliegende vogel vaak de eerste aanwijzing is. Het geluid van ritselende, omgeworpen bladeren op een verder stille bosbodem verraadt een foeragerende vogel; geduldig wachten op een vaste plek levert dan meestal een waarneming op.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Wereldwijd verspreid over een groot gebied. De soort is afhankelijk van ongestoord, vochtig bos met een rijke strooisellaag; op Tobago is de populatie klein.
Wetenschappelijke naam
Sclerurus albigularis | Sclater & Salvin, 1869
Sclater & Salvin beschreef de soort in 1869 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sclerurus werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Sclerurus is Grieks, van sklēros 'stijf, hard' en oura 'staart', naar de stijve staartpennen. albigularis is Latijn, van albus 'wit' en gula 'keel', naar de lichte keel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Venezuela (Cumbre de Valencia).


