Alle soorten › Zangvogels › Miervogels › Zwartkeelmierlijster

Zwartkeelmierlijster | Formicarius analis

Black-faced Antthrush | Hormiguero cholino cara negra

De zwartkeelmierlijster is een mierlijster, een vogel van de bosbodem uit de familie Formicariidae, die in het Caribisch gebied alleen op Trinidad leeft. Hij loopt met afgemeten passen over het bladerdek, met de korte staart rechtop en knikkend, en lijkt daarbij eerder op een kleine ral dan op een zangvogel. Hij wordt veel vaker gehoord dan gezien.

Zwartkeelmierlijster (Formicarius analis)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een helder, vlak ingezet fluitje, gevolgd door een snelle, licht dalende reeks kortere fluittonen, zoiets als tjuuu, tu-tu-tu-tu-tu-tu. De vogel reageert vaak op een nagefloten zang door dichterbij te komen. Bij onrust een scherp tsjip.

Luister: ZangXC1176257

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–19 cm, gedrongen en rond, met een korte, steeds opgewipte staart, lange poten en een rechte, zwarte snavel. Kruin en bovendelen zijn donker roodbruin, de zijkant van de hals is kastanjebruin. Gezicht, kin en keel zijn zwart, met een klein wit vlekje voor het oog en een kale, blauwachtige ring om het oog. Borst en buik zijn donkergrijs, naar achteren lichter, en de onderstaartdekveren zijn roestbruin. In de vlucht is een okerkleurige band aan de basis van de slagpennen te zien. De poten zijn donker. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De grijskeelbladkrabber Sclerurus albigularis leeft in hetzelfde bos op de grond, maar heeft een lichte grijze keel, een kastanjebruine borst, een roodbruine stuit en een lange, dunne snavel, en loopt niet met opgewipte staart. De witbuikmiervogel Myrmeciza longipes is van boven roodbruin met een witte buik en lichte poten en zoekt vooral in dichte ondergroei. De cacaolijster Turdus fumigatus is egaal roestbruin, zonder zwarte keel, en hipt in plaats van te lopen.

Leefgebied

Vochtig, groenblijvend laaglandbos en heuvelbos, ook ouder secundair bos, met een dikke strooisellaag en een open ondergroei, van zeeniveau tot in de hogere delen van de Northern Range. Zoekt lopend over de bosbodem naar insecten, spinnen en andere kleine ongewervelden, die hij tussen afgevallen bladeren oppikt; volgt soms trekmieren. Het nest is een kom van dode bladeren in een holte in een boomstam of stronk, meestal laag boven de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het Caribisch gebied alleen op Trinidad, in het bos van de Northern Range en in de grotere bosgebieden in het midden en zuiden van het eiland; op Tobago ontbreekt de soort. Buiten het gebied van het zuidoosten van Mexico door Midden-Amerika tot Colombia, Venezuela, de Guyana's en het Amazonegebied tot in Bolivia en Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de vroege ochtend langs rustige bospaden in de Northern Range, bijvoorbeeld in de Arima-vallei. Het beste is stil te blijven staan zodra de fluitreeks klinkt: de vogel loopt vaak in het zicht over een pad of open stuk bosbodem, met knikkende staart.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een zeer groot verspreidingsgebied, maar is afhankelijk van gesloten bos en verdwijnt waar het bos versnipperd of sterk gekapt wordt.

Wetenschappelijke naam

Formicarius analis | (d'Orbigny, ACVMD & de Lafresnaye, 1837)

D'Orbigny, ACVMD & de Lafresnaye beschreef de soort in 1837 als Myothera analis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Formicarius werd in 1783 ingevoerd door Boddaert. Formicarius is Latijn, van formica 'mier' met het achtervoegsel -arius: 'mierenvogel'. analis is Latijn voor 'van de anus', naar de roodbruine onderstaartdekveren. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Yuracarés en Chiquitos, Bolivia.