Alle soorten › Zangvogels › Mierklauwieren › Witbuikmiervogel

Witbuikmiervogel | Myrmeciza longipes

White-bellied Antbird | Hormiguero ventriblanco

De witbuikmiervogel is een langpotige miervogel die vooral op en vlak boven de bosbodem leeft. In het gebied komt hij alleen op Trinidad voor. Zijn luide, aanzwellende zang is een vertrouwd geluid in het bos, maar de vogel zelf blijft vaak verborgen in de onderbegroeiing. Na een herindeling van het geslacht in 2013 is hij de enige overgebleven soort van Myrmeciza.

Witbuikmiervogel (Myrmeciza longipes)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje zingt een heldere, rinkelende reeks van 15 tot 25 luide, snelle tonen die eerst aanzwelt, dan daalt, wegebt en eindigt in enkele tsjoe-tonen op één hoogte. Het vrouwtje zingt een kortere versie. Roepen zijn een korte, vloeiende ratel en fluittonen.

Luister: ZangXC1173490

Opname: Johan Chaves — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm, met lange, lichte poten en een vrij korte staart. Het mannetje is kaneelroodbruin op kruin, bovendelen, vleugels en staart, met een verborgen witte vlek tussen de schouders. Kopzijden, keel en bovenborst zijn zwart, afgezet met leigrijs; onderborst en buik zijn wit, de flanken okerbruin. Het vrouwtje heeft dezelfde roodbruine bovendelen, maar zwarte bandjes op de vleugeldekveren en donkerbruine kopzijden; de kin is wit, keel en bovenborst zijn okergeel en de buik is wit met okerkleurige flanken.

Verwarrings­soorten

De zwartkeelmierlijster Formicarius analis loopt eveneens over de bosbodem, maar is donkerder bruin, met een korte, opgewipte staart en zonder witte buik. De mangrovemiervogel Sclateria naevia is grijs (mannetje) of grijsbruin (vrouwtje), niet roodbruin, en leeft in moerasbos.

Leefgebied

De bodem en onderlaag van halfgroen en droog loofbos, ook galerijbos, secundair bos en beschaduwde cacaoaanplant. Foerageert lopend over de grond en in de strooisellaag op insecten en andere ongewervelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Op Trinidad een standvogel van de beboste delen van het eiland; op Tobago afwezig en elders in het gebied niet bekend. Buiten het gebied in Panama, het noorden van Colombia en Venezuela, de Guyana's en het noorden van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Trinidad langs de bospaden van de Northern Range, onder meer bij het Asa Wright Nature Centre. Het loont om bij het horen van de zang stil te blijven staan en de bosbodem af te zoeken; de vogel loopt vaak in het open tussen de stammen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied en verdraagt secundair bos.

Wetenschappelijke naam

Myrmeciza longipes | (Swainson, 1825)

Swainson beschreef de soort in 1825 als Drymophila longipes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myrmeciza werd in 1841 ingevoerd door Gray. Myrmeciza is Grieks, van murmēx 'mier'; het tweede deel wordt wel uitgelegd als 'zitten' of 'op de loer liggen', naar de mierenvogels die bij zwermen trekmieren foerageren. longipes is Latijn, van longus 'lang' en pes 'voet', naar de vrij lange poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Trinidad (aangewezen; oorspronkelijk 'ergens in Brazilië').