Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Grote jager
Grote jager | Stercorarius skua
Great Skua | Págalo grande
De grote jager is de enige grote jager die op het noordelijk halfrond broedt, van IJsland en de Faeröer tot Schotland en Noorwegen. Buiten de broedtijd zwerft hij over de Atlantische Oceaan. In het Caribisch gebied is hij een zeldzame verschijning op open zee, die vooral bij zeetrektellingen vanaf de oostkust van de Kleine Antillen wordt opgemerkt.
Geluid
Op zee vrijwel stil. Op de broedplaats een ruw ha-ha-ha-ha en kwakende, krassende roepen.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
50–58 cm. Groot en gedrongen, met een brede borst, brede vleugels, een korte, wigvormige staart en een zware, donkere snavel; in formaat en bouw meer meeuw dan jager. Het verenkleed is warm donkerbruin, op rug, mantel en vleugeldekveren met lichte, rossige of goudkleurige strepen en vlekken, waardoor de bovenzijde gevlekt oogt. Kop en onderdelen zijn bruin, vaak met een iets donkerdere kap. In vlucht aan boven- en onderzijde een grote witte vlek aan de basis van de handpennen. Jonge vogels zijn egaler en donkerder, met een warmere roodbruine ondertoon en minder lichte vlekken op de bovenzijde.
Verwarringssoorten
De zuidpooljager Stercorarius maccormicki is koeler grijsbruin, zonder warme strepen op de bovenzijde; lichte vogels hebben een lichte kop en onderdelen die afsteken tegen de donkere vleugels. De middelste jager Stercorarius pomarinus is slanker, met smallere vleugels, een langere staart met bij volwassen vogels verlengde, gedraaide middelste pennen, een kleinere witte handpenvlek en bij lichte vogels een zwarte kap en lichte buik; jonge middelste jagers zijn gebandeerd op stuit en onderstaart. De kleine jager Stercorarius parasiticus is veel kleiner en lichter gebouwd, met een fijne snavel en een snelle, wendbare vlucht. Onvolwassen grote meeuwen missen de witte handpenvlekken.
Leefgebied
Open oceaan en het water boven het continentaal plat, vaak bij vissersschepen en groepen zeevogels. Eet vis en visafval en jaagt andere zeevogels, zoals meeuwen, genten en pijlstormvogels, hun prooi af; in het broedgebied ook eieren, jongen en volwassen vogels van andere soorten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Zeldzaam en vooral bekend van de Kleine Antillen. De meeste meldingen komen van zeetrektellingen op Guadeloupe, bij Pointe des Châteaux, La Désirade en Petite Terre, voornamelijk in april en mei, en uit vliegtuigtellingen boven zee rond Guadeloupe en Martinique. Oudere gevallen zijn bekend van Barbados (1960) en Klein Curaçao (1970). Van de Grote Antillen en de Bahama's zijn geen bevestigde gevallen bekend. Buiten het gebied broedt de soort op IJsland, de Faeröer, in Schotland, Noorwegen en op Spitsbergen, en overwintert ze op de Atlantische Oceaan, van de Golf van Biskaje tot voor West-Afrika; jonge vogels bereiken ook het westen van de oceaan, voor de kust van Noord-Amerika.
Hoe en wanneer kijken
Een kans bestaat vrijwel alleen bij zeetrektellingen vanaf oostelijke kapen van de Kleine Antillen of op pelagische tochten, vooral in het voorjaar. Een grote, donkere jager in de noordelijke zomer is eerder een zuidpooljager. De warmbruine, licht gestreepte bovenzijde is het beste kenmerk; zonder goede foto's blijven veel grote jagers in het gebied onbepaald.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De broedpopulatie, grotendeels in Schotland, IJsland en op de Faeröer, groeide in de twintigste eeuw, maar werd vanaf 2021 zwaar getroffen door vogelgriep. In het Caribisch gebied een zeldzame gast zonder vaste aanwezigheid.
Wetenschappelijke naam
Stercorarius skua | (Brünnich, 1764)
Brünnich beschreef de soort in 1764 als Catharacta Skua; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. skua komt uit het Faeröers, waar skúgvur deze vogel aanduidt; het eiland Skúvoy is om zijn kolonie befaamd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Faeröer en IJsland.

