Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Haïtisijs

Haïtisijs | Spinus dominicensis

Antillean Siskin | Jilguero antillano

De Haïtisijs is de enige sijs van de Antillen en leeft in het pijnbos en de bergweiden van de gebergten van Hispaniola. Ondanks de Nederlandse naam komt hij in de Dominicaanse Republiek meer voor dan in Haïti. Buiten de broedtijd trekt hij in groepjes rond, soms tot in lager gelegen gebied.

Haïtisijs (Spinus dominicensis)
Foto: novvictan — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht tsjut-tsjut, een hoger swie-ie en een laag, borrelend trillertje. Groepjes zijn vaak eerst aan de roep te herkennen.

Luister: ZangXC819153

Opname: Johan Chaves — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm, een kleine, compacte vink met een korte, gevorkte staart en een kegelvormige snavel. Het mannetje heeft een zwarte kop en keel, een smalle, gele halsband, een olijfgroene rug en een olijfgele stuit. De onderdelen zijn heldergeel met olijfkleurige flanken. De vleugels zijn zwartachtig met gele vlekken en randen; de zwarte staart heeft gele zijkanten aan de basis. Het vrouwtje is olijfgroen van boven, met een vaal geelolijf gezicht, een geelachtige keel en lichtgele onderdelen met donkerbruine streepjes, die naar de buik wit worden.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de antillenorganist Chlorophonia musica is ook zwart en geel, maar heeft een blauwe kruin, een donkere rug en een korte, dikke snavel. Vrouwtjes lijken op die van de Hispaniolakruisbek Loxia megaplaga, die veel groter is en een gekruiste snavel en witte vleugelstrepen heeft. De grote cubavink Tiaris olivaceus heeft een geel gezicht maar geen gestreepte onderdelen en geen geel in vleugel en staart.

Leefgebied

Pijnbos, de randen van vochtig bergbos en nevelwoud, en grazige open plekken en bergweiden daarin. Meest tussen 1000 en 2500 m; bij koud weer soms tot ongeveer 500 m. Eet vooral zaden, op de grond, in lage begroeiing en in struiken en bomen, in kleine of grotere, losse groepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Endemisch op Hispaniola. In de Dominicaanse Republiek in de Cordillera Central, de Sierra de Bahoruco en de Sierra de Neiba; in Haïti in het Massif de la Selle en het Massif de la Hotte.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Dominicaanse Republiek in Valle Nuevo en in de hogere delen van de Sierra de Bahoruco, waar groepjes langs bospaden en in grazige open plekken in het pijnbos foerageren. Na koude nachten soms ook lager in de bergen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar met een klein verspreidingsgebied; de omvang van de populatie is onbekend en neemt vermoedelijk af. In de Dominicaanse Republiek algemeen en wijdverbreid, in het Massif de la Hotte in Haïti schaars maar toenemend.

Wetenschappelijke naam

Spinus dominicensis | (Bryant, 1867)

Bryant beschreef de soort in 1867 als Chrysomitris dominicensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Spinus gaat terug op het Oudgriekse spinos, de naam van een kleine vogel die niet meer met zekerheid thuis te brengen is. dominicensis verwijst naar Santo Domingo, de oude naam voor het eiland Hispaniola. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Port-au-Prince, Haïti.