Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Hispaniolakruisbek

Hispaniolakruisbek | Loxia megaplaga

Hispaniolan Crossbill | Piquituerto de La Española

De Hispaniolakruisbek is de enige kruisbek van het Caribisch gebied en leeft uitsluitend in het pijnbos van de hoogste gebergten van Hispaniola, waar hij pico cruzado wordt genoemd. Met zijn gekruiste snavelpunten wrikt hij de schubben van de kegels van de Hispaniolaanse pijn Pinus occidentalis open. De soort stamt waarschijnlijk af van kruisbekken die na de laatste ijstijd in de koele bergen achterbleven en is nauw verwant aan de witbandkruisbek van Noord-Amerika en Eurazië.

Hispaniolakruisbek (Loxia megaplaga)
Foto: Anthony Batista — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hoog, nadrukkelijk herhaald tsjoe-tsjoe-tsjoe-tsjoe, vaak in de vlucht. De zang is een reeks trillers en tjilpende tonen.

Luister: RoepXC308670

Opname: Ross Gallardy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm, gedrongen, met een grote kop, een korte, gevorkte staart en een zware snavel met gekruiste punten. Het mannetje is dof bruin met een rode tot roodoranje waas op kop, nek, bovenrug en borst. De vleugels zijn zwartachtig met twee brede, witte vleugelstrepen. Het vrouwtje is dof bruin met een gele stuit, een gele waas op de bovenborst en fijne, bruine strepen over de hele borst. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar zijn bruiner en zwaarder gestreept.

Verwarrings­soorten

Op Hispaniola herkenbaar aan de gekruiste snavel en de witte vleugelstrepen. Vrouwtjes en jonge vogels van de Haïtisijs Spinus dominicensis, die in hetzelfde pijnbos leven, zijn veel kleiner, met een spitse snavel en gele vlekken in vleugel en staart.

Leefgebied

Pijnbos van Pinus occidentalis tussen ongeveer 540 en 2600 m. Is afhankelijk van rijpe kegels en trekt in groepjes rond naar plekken met een goede kegeloogst. Broedt vooral van januari tot april, in losse groepjes. Het legsel telt twee of drie eieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Endemisch op Hispaniola. In de Dominicaanse Republiek in de Sierra de Bahoruco en de Cordillera Central; in Haïti in het Massif de la Selle en het Massif de la Hotte. Enkele waarnemingen in de Blue Mountains op Jamaica in de jaren 1970 gelden als dwaalgasten. Meldingen van de Bahama's zijn niet onderbouwd.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Dominicaanse Republiek in het pijnbos van de Sierra de Bahoruco en in Valle Nuevo in de Cordillera Central. Het voorkomen wisselt met de kegeloogst; groepjes verraden zich door de roep in de vlucht en door het geluid van openbrekende kegels en vallende schubben.

Staat van instandhouding

Bedreigd. De wereldpopulatie wordt geschat op 1000 tot 2300 volwassen vogels en neemt af. De belangrijkste bedreigingen zijn versnippering van het pijnbos door landbouw en houtkap en grote, ongecontroleerde bosbranden.

Wetenschappelijke naam

Loxia megaplaga | Riley, 1916

Riley beschreef de soort in 1916 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Loxia werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Loxia komt van het Griekse loxos 'schuin', naar de gekruiste snavelpunten. megaplaga is volgens Jobling Grieks, van mega 'zeer, groot' en plagios 'scheef, krom', vermoedelijk naar de sterk gekruiste snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit El Río, Dominicaanse Republiek.