Alle soorten › Zangvogels › Winterkoningen › Huiswinterkoning

Huiswinterkoning | Troglodytes aedon

Northern House Wren | Chivirín saltapared

De huiswinterkoning is in Noord-Amerika een van de bekendste tuinvogels, maar in het Caribisch gebied een zeldzame wintergast. Vroeger werden onder deze naam ook de huiswinterkoningen van Midden- en Zuid-Amerika en de Kleine Antillen begrepen; die worden tegenwoordig als aparte soorten beschouwd, waaronder de zuidelijke huiswinterkoning Troglodytes musculus en vier endemische soorten op Dominica, Saint Lucia, Saint Vincent en Grenada. In deze gids staat de naam alleen voor de noordelijke vogels.

Huiswinterkoning (Troglodytes aedon)
Foto: CheepShot — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter vooral een droog, hard tsjek en een snerpend, ratelend tsjrrrr uit dichte begroeiing. De borrelende, snel opeenvolgende zang wordt in het winterkwartier zelden gehoord.

Luister: ZangXC1184046

Opname: Ned Bohman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–13 cm, klein en onopvallend, met een vrij lange, dunne, licht gebogen snavel en een korte staart die vaak rechtop wordt gehouden. De bovendelen zijn grijsbruin, iets warmer op stuit en staart; vleugels en staart zijn fijn zwartachtig gebandeerd. Een vage lichte wenkbrauwstreep en een smalle lichte oogring geven het gezicht weinig tekening. De onderdelen zijn lichtgrijs tot zandkleurig, de flanken en onderstaart bruinig en vaag gebandeerd. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

Op Cuba is de Zapatawinterkoning Ferminia cerverai veel groter, met een lange, sterk gebandeerde staart, en leeft alleen in het Zapatamoeras. De blauwgrijze muggenvanger Polioptila caerulea zoekt eveneens laag in struikgewas, maar is blauwgrijs met een lange zwart-witte staart. De zuidelijke huiswinterkoning Troglodytes musculus lijkt in het veld vrijwel gelijk, maar hun gebieden overlappen niet.

Leefgebied

In het winterkwartier dichte, lage begroeiing: kuststruweel, droog struikgewas, de randen van coppice-bos op de Bahama's, houtwallen, verwilderde terreinen en tuinen met veel dekking. Zoekt laag in struiken, tussen dood hout en op de grond naar insecten en spinnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

In het Caribisch gebied een zeldzame wintergast in het noorden van de Bahama's en op Cuba; op de Kaaimaneilanden en Hispaniola zijn enkele gevallen bekend. Buiten het gebied broedt de soort in het zuiden van Canada en een groot deel van de Verenigde Staten en overwintert in het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico. Op de verspreidingskaart staan ook waarnemingen uit de Kleine Antillen en Trinidad en Tobago; die horen bij de daar levende standvogels, die tegenwoordig tot andere soorten gerekend worden.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De kans is het grootst op Grand Bahama, Abaco en New Providence in de wintermaanden. Een onbekend tsjek of ratelend geluid uit dicht struweel is het eerste aanknopingspunt; de vogel komt bij geduld vaak kort tevoorschijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in Noord-Amerika algemeen en profiteert van tuinen, nestkasten en open, half gecultiveerd land. In het Caribisch gebied gaat het om kleine aantallen overwinteraars.

Wetenschappelijke naam

Troglodytes aedon | Vieillot, 1809

Vieillot beschreef de soort in 1809 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Troglodytes voerde hij in datzelfde werk in. Troglodytes is Grieks, van troglē 'hol, spleet' en dyein 'kruipen': 'holbewoner', naar de gewoonte om al zoekend in spleten en holten te verdwijnen. aedon is Grieks aēdōn 'nachtegaal', naar de rijke, borrelende zang. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit New York (later aangewezen).