Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Kentuckyzanger

Kentuckyzanger | Geothlypis formosa

Kentucky Warbler | Reinita de Kentucky

De Kentuckyzanger is een gedrongen, kortstaartige zanger van de bosbodem die broedt in het oosten van de Verenigde Staten en overwintert van Zuid-Mexico tot in het noorden van Zuid-Amerika. De meeste vogels steken de Golf van Mexico recht over, zodat het Caribisch gebied alleen aan de westrand wordt aangedaan. Hij loopt over de grond en keert bladeren om, en blijft daardoor vaak onopgemerkt.

Kentuckyzanger (Geothlypis formosa)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang, die in het gebied weinig te horen is, is een luide, rollende reeks van twee lettergrepen, tsjurie-tsjurie-tsjurie. De roep is een laag, vol tsjok, lager dan bij de meeste andere zangers; vaak het eerste teken van de vogel in dicht bos.

Luister: ZangXC1105836

Opname: David A. Brinkman — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13 cm, met een vrij lange snavel, korte staart en lichtroze poten. De bovendelen zijn egaal olijfgroen, de onderdelen van keel tot onderstaart helder geel. Kenmerkend is de kop: een gele 'bril' loopt van de snavelbasis boven en achter het oog, en daaronder hangt een zwarte bakkebaard van het oog naar de halszijde. Het voorhoofd en de voorkruin zijn zwart, de achterkruin grijzig. Het vrouwtje heeft minder zwart op kop en wang; jonge vogels in de herfst hebben soms vrijwel geen zwart, maar de gele bril en de geheel gele onderdelen blijven.

Verwarrings­soorten

De gewone maskerzanger Geothlypis trichas is kleiner, heeft een witachtige buik en bruinige flanken en mist de gele bril; het mannetje heeft een zwart masker over het oog. Het vrouwtje van de monnikszanger Setophaga citrina heeft een geel gezicht zonder zwarte bakkebaard en witte vlekken in de staart, die ze steeds uitwaaiert. De grijskopzanger Geothlypis philadelphia en de connecticutzanger Oporornis agilis hebben een grijze of grijsbruine kap. De canadese zanger Cardellina canadensis is van boven grijs en heeft een streepjeshalsband.

Leefgebied

Op doortrek en in de winter de ondergroei van vochtig en halfgroen loofbos, bos op kalksteen en bergbos, ook dichte begroeiing langs beken en verruigd secundair bos. Foerageert op of vlak boven de grond: lopend, springend naar insecten aan de onderkant van bladeren en omkerend van strooisel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Vooral op doortrek op Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica en de Bahama's, met enkele overwinteraars op Cuba en Jamaica. Zeldzaam tot zeer zeldzaam op Hispaniola, Puerto Rico, de Maagdeneilanden en San Andrés; in de Kleine Antillen alleen enkele gevallen. Buiten het gebied broedend in het oosten en zuidoosten van de Verenigde Staten en overwinterend van Zuid-Mexico door Midden-Amerika tot in Colombia en Venezuela.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste kansen liggen in september en april in schaduwrijke bosgebieden in het westen van Cuba en op Jamaica. Het lage tsjok uit de ondergroei is meestal de aanwijzing; daarna is geduldig wachten aan de rand van een open plek op de bosbodem de manier om de vogel te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het broedgebied is over de afgelopen decennia een geleidelijke afname gemeten, die vooral wordt toegeschreven aan versnippering van loofbos en de vraat van ondergroei door hoge aantallen herten.

Wetenschappelijke naam

Geothlypis formosa | (Wilson, 1811)

Wilson beschreef de soort in 1811 als Sylvia formosa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Geothlypis werd in 1847 ingevoerd door Cabanis. Geothlypis is Grieks, van gē 'aarde, grond' en thlupis, een niet nader bekend klein vogeltje: 'grondzangertje', naar het leven laag in dichte begroeiing. formosa is Latijn voor 'mooi, sierlijk'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kentucky (VS).