Alle soorten › Zangvogels › Palmtapuit › Palmtapuit

Palmtapuit | Dulus dominicus

Palmchat | Cigua palmera

De palmtapuit is de enige soort van de familie Dulidae en komt alleen op Hispaniola voor. Het is een van de algemeenste en luidruchtigste vogels van het eiland en de nationale vogel van de Dominicaanse Republiek. Kenmerkend is het gemeenschappelijke nest: een grote bundel takjes in de kruin van een palm, waarin meerdere paren elk een eigen kamer hebben.

Palmtapuit (Dulus dominicus)
Foto: agonzalo — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zeer luidruchtig, vooral rond het nest en bij groepen. Een gevarieerd mengsel van piepende, kwetterende, gorgelende en fluitende tonen, enigszins te vergelijken met het geklets van spreeuwen. Als alarm een reeks dalende fluittonen, tsjier-tsjier-tsjier.

Luister: RoepXC214541

Opname: Oscar Humberto Marin-Gomez — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, ongeveer zo groot als een spreeuw, met een relatief kleine kop, een korte, gebogen, geelachtige hoornkleurige snavel en een vrij lange staart. Bovendelen olijfbruin, stuit groenig olijf, de handpennen met een geelgroene zweem. Onderdelen vuilwit tot crème, zwaar bruin gestreept. Iris roodbruin. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een donkerdere keel en een lichtbeige stuit.

Verwarrings­soorten

Op Hispaniola is geen andere vogel van dit formaat zo zwaar gestreept op de onderdelen. De witoogspotlijster Margarops fuscatus, die alleen zeer lokaal op Hispaniola en de eilanden ervoor voorkomt, is groter, heeft een witte iris, een lichte snavel en een geschubd in plaats van gestreept patroon. De spotlijster Mimus polyglottos is grijs, ongestreept en heeft witte vlakken in vleugel en staart.

Leefgebied

Open en halfopen land met verspreide palmen: savanne met koningspalmen, weilanden, landbouwgebied, parken en tuinen in dorpen en steden, en bosranden in loofbos en pijnbos. Van zeeniveau tot ongeveer 1800 m; ontbreekt in gesloten bos en op de hoogste bergtoppen. Eet vooral bessen, vruchten en bloemen, die de groep samen afzoekt. Het nest, tot 2 m breed, wordt meestal in een koningspalm of een andere palm gebouwd en door 4 tot 10 paren, soms veel meer, gedeeld. Broedt vooral van maart tot juni.

Verspreiding en trek

Endemisch op Hispaniola, zowel in Haïti als in de Dominicaanse Republiek, inclusief de eilanden Gonâve en Saona. Over vrijwel het hele eiland algemeen, in steden net zo goed als op het platteland. Buiten Hispaniola niet vastgesteld.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te vinden in stadsparken, bijvoorbeeld in Santo Domingo, en langs wegen met koningspalmen op het platteland. Grote takkenbundels in de kruin van een palm verraden een nest; vroeg in de ochtend en tegen de avond is er de meeste bedrijvigheid.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is talrijk en profiteert van het open, door de mens bewerkte landschap met verspreide palmen.

Wetenschappelijke naam

Dulus dominicus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tanagra dominica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dulus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Dulus is Grieks doulos 'slaaf, dienaar'; op Hispaniola heette de vogel 'Esclave', naar de donkere kleur en het 'onderdanige' gedrag, als tegenhanger van de tirannen (Tyrannus). dominicus verwijst naar Santo Domingo, de oude naam voor Hispaniola, het enige eiland waar de soort voorkomt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola.