Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Slechtvalk

Slechtvalk | Falco peregrinus

Peregrine Falcon | Halcón peregrino

De slechtvalk is de grootste valk die regelmatig in het Caribisch gebied voorkomt. Hij broedt er niet, maar overwintert en trekt door langs kusten en in steden op vrijwel alle eilanden. De vogels behoren tot Noord-Amerikaanse ondersoorten: tundrius uit het Noordpoolgebied, die het grootste deel van de doortrekkers vormt, en anatum uit Canada en de Verenigde Staten.

Slechtvalk (Falco peregrinus)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het winterkwartier meestal stil; bij onrust een raspend, herhaald kek-kek-kek.

Luister: VluchtroepXC1153519

Opname: Frantz Barrault — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

36–49 cm, krachtig gebouwd, met brede vleugelbases, spitse vleugelpunten en een vrij korte staart. Volwassen vogels zijn van boven leigrijs, met een donkere kap en een brede zwarte baardstreep op de witte wang. De onderdelen zijn wit tot zalmkleurig, op borst en buik fijn zwart gebandeerd. Onvolwassen vogels zijn van boven bruin en van onder geelachtig met donkere lengtestrepen; bij tundrius is het voorhoofd licht en de baardstreep smaller. Het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje.

Verwarrings­soorten

Het smelleken Falco columbarius is veel kleiner, met een zwakke baardstreep en een gestreepte onderzijde. De aplomadovalk Falco femoralis, alleen op Trinidad regelmatig, is slanker, met een lange staart, een witte wenkbrauwstreep en een kaneelkleurige buik. De vleermuisvalk Falco rufigularis op Trinidad is kleiner, met een witte keel en een roodbruine buik. In vlucht lijkt de Amerikaanse sperwer Accipiter striatus op een kleine valk, maar heeft afgeronde vleugels.

Leefgebied

Kusten en open land met veel prooi: wadplaten, zoutpannen, lagunes, mangroveranden, rotskusten en kliffen, ook havens, vliegvelden en steden, waar de vogels op hoge gebouwen, masten en kranen zitten. Jaagt vooral op duiven, steltlopers, sterns en andere middelgrote vogels, die in snelle duikvlucht of in achtervolging in de lucht worden geslagen.

Verspreiding en trek

Wintergast en doortrekker in het hele gebied: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, de Grote Antillen, de Kaaimaneilanden, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Overal in kleine aantallen; het meest regelmatig op Cuba, Puerto Rico, Aruba en Trinidad, vooral tijdens de najaarstrek in oktober. Buiten het gebied vrijwel wereldwijd.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in oktober en november langs zoutpannen, lagunes en kusten waar steltlopers en sterns samenkomen. In steden zit de vogel vaak op hoge gebouwen, kerktorens of zendmasten; een groep duiven die plotseling uiteenvliegt, kan op een jagende slechtvalk wijzen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse populaties zijn na het verbod op DDT sterk hersteld.

Wetenschappelijke naam

Falco peregrinus | Tunstall, 1771

Tunstall beschreef de soort in 1771 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Falco is Laatlatijn voor 'valk', van falx, falcis 'sikkel', naar de sikkelvormige klauwen van de vogel. peregrinus is Latijn voor 'vreemdeling, van elders'; jonge vogels werden voor de valkerij op trek gevangen en niet uit het nest gehaald. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Northamptonshire in Engeland.