Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › West-Indische specht

West-Indische specht | Melanerpes superciliaris

West Indian Woodpecker | Carpintero jabado

De West-Indische specht, op Cuba carpintero jabado genoemd, is een grote Melanerpes-specht van Cuba, Grand Cayman en twee eilanden van de Bahama's. Hij is gebonden aan landschappen met koningspalmen, waarin hij vaak zijn nest hakt, en verraadt zich door een luide, rollende roep. Op de kleinere eilanden zijn de vogels kleiner dan op Cuba; er worden vijf ondersoorten onderscheiden.

West-Indische specht (Melanerpes superciliaris)
Foto: Ekaterina Chernetsova (Papchinskaya) from Saint-Petersburg, Russia — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, rollend kwirr of churr met een enigszins krijsende klank, en een herhaald kra-kra-kra. Het roffelen is snel.

Luister: RoepXC996716

Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

27–32 cm, met een lange, krachtige snavel. Bovendelen en vleugels zijn zwart met dichte witte dwarsbandjes; de staart is grotendeels zwart, met witte banden op de buitenste pennen. Gezicht en onderdelen zijn lichtgrijs tot grijsbruin, met een roodoranje vlek op de buik. Het mannetje heeft een rode kruin, achterhoofd en nek; het vrouwtje heeft een lichte kruin en alleen een rode nek. Bij de Cubaanse vorm loopt een zwarte streep boven en achter het oog.

Verwarrings­soorten

De Cubaanse groene specht Xiphidiopicus percussus is kleiner, groen en geel van boven en heeft een kuifje. De gouden grondspecht Colaptes auratus (Cuba en Grand Cayman) en de Cubaanse grondspecht Colaptes fernandinae zijn bruin met zwarte bandering, foerageren veel op de grond en hebben geen zwart-wit gebandeerde rug. De geelbuiksapspecht Sphyrapicus varius, een wintergast, is kleiner en heeft een witte vleugelstreep. Op Abaco is de haarspecht Leuconotopicus villosus kleiner, met een witte rugbaan en een zwart-wit gestreepte kop.

Leefgebied

Bos en bebost cultuurland van zeeniveau tot ongeveer 1000 meter, vooral waar koningspalmen staan: droog en halfgroen bos, kalksteenbos, mangrove, weiden met palmen, plantages en tuinen in dorpen en steden. Op de kleinere eilanden ook in droog kreupelbos op kalksteen. Eet insecten en vruchten. Broedt van februari tot augustus, soms met twee broedsels. Beide ouders hakken de nestholte in een dode palm of een elektriciteitspaal, op 5 tot 30 meter hoogte; het legsel telt vijf of zes eieren.

Verspreiding en trek

Standvogel op Cuba en de cayos voor de kust (Melanerpes superciliaris superciliaris), de Isla de la Juventud (Melanerpes superciliaris murceus), Grand Cayman (Melanerpes superciliaris caymanensis) en op de Bahama's op Great en Little Abaco (Melanerpes superciliaris blakei) en San Salvador (Melanerpes superciliaris nyeanus). De populatie van Grand Bahama is vermoedelijk uitgestorven. Op Cayman Brac, Little Cayman en de andere Bahama-eilanden komt geen vaste populatie voor. Buiten het Caribisch gebied ontbreekt de soort.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op Cuba in vrijwel elk landschap met koningspalmen, ook langs wegen en bij dorpen; op Grand Cayman ook in tuinen. De luide roep draagt ver. Een dode koningspalm met meerdere ronde gaten is vaak een nestplek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar de populatie neemt volgens BirdLife af. De kleine eilandpopulaties op de Bahama's zijn kwetsbaar voor verlies van leefgebied; op Grand Bahama is de soort al verdwenen.

Wetenschappelijke naam

Melanerpes superciliaris | (Temminck, 1827)

Temminck beschreef de soort in 1827 als Picus superciliaris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melanerpes werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Melanerpes is Grieks, van melas 'zwart' en herpēs 'kruiper': 'zwarte kruiper'. superciliaris is Latijn voor 'met wenkbrauw', van supercilium, naar de zwarte streep rond het oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.