Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse bosruiter
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Amerikaanse bosruiter | Tringa solitaria
Solitary Sandpiper | Andarríos solitario
De Amerikaanse bosruiter is een donkere, slanke ruiter van kleine zoetwaterplassen, die buiten de broedtijd meestal alleen foerageert. Hij broedt in de boreale bossen van Canada en Alaska, waar hij als enige Noord-Amerikaanse steltloper de oude nesten van zangvogels in bomen gebruikt. In het gidsgebied is hij een verspreide doortrekker en wintergast.
Geluid
Een hoog, helder piet-wiet of piet-wiet-wiet, hoger en scherper dan bij de Amerikaanse oeverloper, vaak bij het opvliegen.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
18–23 cm, slank, met een rechte, donkere snavel van ongeveer kopslengte en vrij lange, groenige poten. De bovendelen zijn donker olijfbruin met fijne witte stippen, de kop en borst grijsbruin gestreept, de buik wit. Een duidelijke witte oogring en een lichte streep tussen snavel en oog. In de vlucht donkere ondervleugels, geen vleugelstreep, een donkere stuit en middenstaart en wit-zwart gebandeerde staartzijden. Wipt geregeld met de kop en het voorlichaam. In het winterkleed wat grijzer en minder gestippeld; jonge vogels hebben bleke, okerkleurige stippen.
Verwarringssoorten
De kleine geelpootruiter Tringa flavipes is lichter, heeft langere, felgele poten, een vierkante witte stuit en geen duidelijke oogring. De Amerikaanse oeverloper Actitis macularius is gedrongener, wipt met het achterlijf, heeft een witte vleugelstreep en vliegt laag met trillende vleugelslagen.
Leefgebied
Oevers van kleine vijvers, plassen en sloten, beekjes in bos en weiland, drinkpoelen voor vee, ondergelopen weiden en rijstvelden; vaak op plekken met beschutting van bomen of struiken, van het laagland tot in de bergen. Zelden aan zout water. Loopt behoedzaam door ondiep water en pikt insecten en kleine waterdieren, soms door met een poot in de modder te roeren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Doortrekker en wintergast in het hele gidsgebied, van het noorden van Mexico tot Panama, in de winter vooral in het zuiden van Mexico en in Midden-Amerika. Buiten het gidsgebied broedt de soort in de boreale zone van Alaska en Canada en overwintert zij van Mexico en het Caribisch gebied tot in Argentinië.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Kleine, door bomen omzoomde plassen en drinkpoelen in weilanden zijn de plek om deze soort te zoeken, meestal een enkele vogel. Bij het opvliegen zijn de hoge roep, de donkere ondervleugel en de gebandeerde staartzijden kenmerkend.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Door de verspreide leefwijze en het afgelegen broedgebied zijn trends lastig te meten. In het gidsgebied is de soort afhankelijk van kleine zoetwaterplassen en natte weilanden, die op veel plaatsen worden drooggelegd.
Wetenschappelijke naam
Tringa solitaria | Wilson, 1813
Wilson beschreef de soort in 1813 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tringa werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Tringa is de neolatijnse naam die Aldrovandi aan het witgatje gaf, naar het Griekse trungas, bij Aristoteles een waadvogel zo groot als een lijster, met witte stuit en wippende staart. solitaria is Latijn voor 'eenzaam', van solus 'alleen', naar de gewoonte om alleen te verschijnen in plaats van in groepen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Pocono Mountains in Pennsylvania.




