Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grauwe franjepoot

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Grauwe franjepoot | Phalaropus lobatus

Red-necked Phalarope | Falaropo picofino

De grauwe franjepoot is de kleinste franjepoot en een zwemmende steltloper die buiten de broedtijd vooral op zee leeft. Hij trekt in grote aantallen langs de Pacifische kust van het gidsgebied, en in de Golf van Californië en voor de westkust kunnen groepen van duizenden vogels pleisteren. Het vrouwtje is groter en feller gekleurd dan het mannetje, dat de eieren uitbroedt en de jongen verzorgt.

Grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, scherp twit of kip, vooral in de vlucht of uit groepen op het water.

Luister: VluchtroepXC1168559

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, klein en fijngebouwd, met een dunne, naaldfijne zwarte snavel en gelobde tenen. In het winterkleed donkergrijs van boven met witte strepen langs de rug, wit van onder, met een witte voorkop, een donkere kruin en een zwarte vlek van het oog naar achteren. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep en een donker midden van de stuit. Het vrouwtje in broedkleed heeft een leigrijze kop, een witte keel, een roodbruine band langs de halszijde en okerkleurige rugstrepen; het mannetje is doffer. Jonge vogels zijn zwartachtig met okerkleurige rugstrepen. Ligt hoog op het water en draait vaak snel rondjes.

Verwarrings­soorten

De rosse franjepoot Phalaropus fulicarius is wat groter, met een dikkere snavel en een lichtere, egaal grijze rug zonder strepen. De grote franjepoot Phalaropus tricolor is groter, langer gesnaveld, heeft geen vleugelstreep en geen zwarte oogvlek, maar wel een witte stuit, en loopt veel op slik. De drieteenstrandloper Calidris alba heeft ook een donkere vlek bij de vleugelbocht en een witte vleugelstreep, maar zwemt niet en heeft een dikkere snavel.

Leefgebied

Op zee boven het continentaal plat en langs fronten en opwellingszones, ook in baaien en dicht onder de kust; tijdens de trek ook op zoutmeren, zoutpannen, lagunes en garnalenvijvers in het binnenland en aan de kust. Pikt plankton en kleine ongewervelden van het wateroppervlak, vaak draaiend om prooi omhoog te halen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Doortrekker en wintergast op zee langs de hele Pacifische kust, van Baja California en de Golf van Californië tot Panama, plaatselijk in grote aantallen. Tijdens de trek ook verspreid over binnenwateren in het noorden van Mexico. Aan de kant van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zeldzaam. Buiten het gidsgebied broedt de soort rond de hele noordpool, van Alaska en Canada tot Groenland, Scandinavië en Siberië, en overwintert zij op zee, vooral voor de westkust van Zuid-Amerika, in de Arabische Zee en in Zuidoost-Azië.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Boottochten op de Golf van Californië en langs de Pacifische kust leveren in de trektijd vaak groepen op, soms tussen drijvende lijnen schuim en zeewier. In het binnenland van het noorden van Mexico zijn in augustus en september losse vogels te vinden op zoutmeren en garnalenvijvers, vaak samen met grote franjepoten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Belangrijke pleisterplaatsen op zee zijn in het verleden sterk in aantallen achteruitgegaan; de oorzaken zijn niet volledig bekend. Olievervuiling en veranderingen in het voedselaanbod op zee zijn mogelijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Phalaropus lobatus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa tobata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalaropus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Phalaropus gaat via het Franse phalarope terug op het Griekse phalaris 'meerkoet' en pous 'voet': net als meerkoeten hebben franjepoten gelobde tenen. lobatus is modern Latijn voor 'gelobd', naar de zwemlobben langs de tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Hudsonbaai.