Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Amerikaanse meerkoet

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Amerikaanse meerkoet | Fulica americana

American Coot | Gallareta americana

De Amerikaanse meerkoet is een gedrongen, leigrijze watervogel met een witte snavel, die vaak in grote groepen op open water zwemt. Hij is de algemeenste ral van Noord-Amerika en de meest zichtbare van het gidsgebied, waar hij op meren, lagunes en stuwmeren zowel standvogel als wintergast is. Anders dan de waterhoenders heeft hij brede lobben aan de tenen, waardoor hij goed zwemt en duikt.

Amerikaanse meerkoet (Fulica americana)
Foto: Connormah — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een gevarieerd repertoire van korte, harde, knorrende en kakelende roepen, zoals puhk, kuk-kuk-kuk en een nasaal krrek; in de broedtijd ook langere, kakelende reeksen. Groepen maken veel lawaai, vooral bij ruzies, waarbij vogels met gespreide vleugels over het water op elkaar af rennen.

Luister: RoepXC1076779

Opname: Max Noack — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

34–43 cm. Egaal leigrijs, op kop en hals zwartachtig. De snavel is wit tot ivoorkleurig met een donkere ring vlak bij de punt; op het witte voorhoofdsschild zit bovenaan een kleine roodbruine zwelling. De iris is rood. De onderstaartdekveren zijn aan weerszijden wit. In de vlucht is een smalle witte achterrand aan de armpennen te zien. De poten zijn groengeel, met brede, gelobde tenen. Jonge vogels zijn grijzer en lichter, met een lichte keel en borst en een grijzige snavel. Loopt bij het opvliegen een eind over het water.

Verwarrings­soorten

Het Amerikaans waterhoen Gallinula galeata is slanker, met een rood voorhoofdsschild en een rode snavel met gele punt, een witte flankstreep en tenen zonder lobben. De dikbekfuut Podilymbus podiceps is bruin, met een korte, dikke snavel en zonder voorhoofdsschild, en duikt vaker en langer. Vrouwtjes en jonge vogels van de rosse stekelstaart Oxyura jamaicensis zijn bruin, met een lichte wang en een stijve, vaak opgerichte staart.

Leefgebied

Open zoet water met oevervegetatie: meren, stuwmeren, vijvers, lagunes, trage rivieren en moerassen; ook zout- en sodameren op de hoogvlakte, brakke kustlagunes en rijstvelden. Van zeeniveau tot boven 2500 m. Eet vooral waterplanten en algen, duikend, grondelend of grazend op oevers en gazons, en daarnaast insecten, slakken en ander klein waterleven. Het nest is een drijvend platform van plantenmateriaal, verankerd in de oevervegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Standvogel in het noorden en op de centrale hoogvlakte van Mexico, met grote broedpopulaties op de meren en stuwmeren van het binnenland, en plaatselijk in de hooglanden verder zuidelijk, onder meer in Guatemala. In de winter veel talrijker en wijder verspreid, met vogels uit Noord-Amerika op meren en lagunes in heel Mexico en Midden-Amerika; zuidelijk tot Panama, waar de soort schaars is. Buiten het gidsgebied van het zuiden van Canada over de Verenigde Staten tot in het Caribisch gebied; in de Andes van Colombia leeft een eigen ondersoort.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter op vrijwel elk groter meer of stuwmeer in Mexico, vaak in groepen van honderden vogels, bijvoorbeeld op het Chapalameer, het Pátzcuaromeer en de meren rond Mexico-Stad. In Guatemala onder meer op het Atitlánmeer. Groepen grazen vaak op gazons en oevers, waarbij de gelobde tenen goed te zien zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is zeer talrijk en profiteert plaatselijk van de aanleg van stuwmeren en vijvers. In Mexico wordt er op de grote meren op gejaagd.

Wetenschappelijke naam

Fulica americana | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fulica werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fulica is het Latijnse woord voor 'meerkoet'. americana is Latijn voor 'Amerikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika.