Alle soorten › Papegaaiachtigen › Papegaaien › Araparkiet
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Araparkiet | Rhynchopsitta pachyrhyncha
Thick-billed Parrot | Cotorra serrana occidental
De araparkiet is een grote, groene papegaai met een zware zwarte snavel, die leeft in de dennen- en pijn-eikenbossen van de Sierra Madre Occidental in het noordwesten van Mexico. Hij eet vrijwel alleen dennenzaad, dat hij met zijn snavel uit de kegels breekt, en trekt met de zaadoogst door het gebergte. Vroeger kwam hij onregelmatig tot in Arizona en New Mexico.
Geluid
Luid, rollend en raspend krraa-krraa en snatterende, bijna lachende reeksen, vaak door een hele groep tegelijk; over grote afstand hoorbaar.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
38–40 cm. Helder groen met een lange, puntige staart en lange, puntige vleugels, waardoor hij in de vlucht aan een kleine ara doet denken. Voorhoofd, een streep boven het oog, de buigplek van de vleugel en de dijen zijn rood. De snavel is zwart en zwaar, de oogring kaal en geelachtig. Van onderen toont de vleugel een gele band over de ondervleugeldekveren, die in de vlucht goed zichtbaar is. Jonge vogels hebben een lichte, hoornkleurige snavel en minder rood op kop en vleugel. De seksen zijn gelijk. Vliegt snel en recht, vaak in groepen.
Verwarringssoorten
De grote araparkiet Rhynchopsitta terrisi van de Sierra Madre Oriental is iets groter en donkerder groen, heeft een donker kastanjebruin in plaats van rood voorhoofd en geen geel onder de vleugel; de verspreidingsgebieden overlappen niet. De soldatenara Ara militaris is veel groter, met een veel langere staart en een kaal, lichtroze gezicht. De groene aratinga Psittacara holochlorus is kleiner, geheel groen en heeft een lichte snavel.
Leefgebied
Oud naaldbos en pijn-eikenbos in het hooggebergte, meestal tussen 1500 en 3500 m, met grote dennen voor voedsel en oude, dode bomen met holtes, vaak oude spechtenholtes, om in te broeden. In de winter ook lager, in pijn-eikenbos en gemengd bos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Alleen in Mexico. Broedt in de Sierra Madre Occidental in het westen van Chihuahua en het noorden van Durango, plaatselijk tot in het oosten van Sonora. Na het broedseizoen trekken de vogels zuidwaarts en naar lagere hellingen in Durango, Sinaloa, Zacatecas, Jalisco en Michoacán; de winterverspreiding wisselt per jaar. Buiten het gidsgebied kwam hij tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw onregelmatig voor in Arizona en New Mexico; een poging tot herintroductie in Arizona in de jaren tachtig en negentig mislukte.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van juli tot oktober zijn groepen bij broedplaatsen in de bergen van het westen van Chihuahua te zien, vooral in de vroege ochtend als ze luid roepend naar de dennenbossen vliegen.
Staat van instandhouding
Bedreigd. Het bewoonde gebied is sterk ingekrompen door kap van oud naaldbos, waardoor voedsel en geschikte nestbomen verdwijnen. Ook bosbranden, droogte en het vangen van vogels spelen een rol. In de belangrijkste broedgebieden worden nestbomen beschermd.
Wetenschappelijke naam
Rhynchopsitta pachyrhyncha | (Swainson, 1827)
Swainson beschreef de soort in 1827 als Macrocercus pachyrhynchus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhynchopsitta werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte. Rhynchopsitta is Grieks, van rhunkhos 'snavel' en psitta 'papegaai': 'snavelpapegaai', naar de zware snavel. pachyrhyncha is Grieks, van pakhus 'dik' en rhunkhos 'snavel', naar de zware zwarte snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexicaanse hoogvlakte.


