Alle soorten › Zangvogels › Mierklauwieren › Bruinrugmiervogel

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Bruinrugmiervogel | Poliocrania exsul

Chestnut-backed Antbird | Hormiguero dorsicastaño

De bruinrugmiervogel is een gedrongen miervogel met een korte staart, een donkere kop en een kastanjebruine rug. Paartjes leven laag in de dichte ondergroei van vochtig bos en worden vaker gehoord dan gezien. In het gidsgebied leeft hij van Honduras tot Panama.

Bruinrugmiervogel (Poliocrania exsul)
Foto: Randall Leonardo Ortega Chaves — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een helder, gefloten liedje van twee of drie tonen, waarvan de laatste meestal lager is. Beide partners zingen. Daarnaast korte, harde roeptonen.

Luister: ZangXC1180965

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

14 cm. Rond het oog een kale, lichtblauwe huid. Het mannetje heeft een donker leigrijze tot zwartachtige kop, hals en onderzijde; rug, vleugels en staart zijn kastanjebruin. Het vrouwtje heeft dezelfde donkere kop en kastanjebruine bovendelen, maar een roodbruine onderzijde. Vogels in het oosten van Panama hebben een zwartere kop en kleine witte stippen op de vleugeldekveren. Staart kort.

Verwarrings­soorten

De grijskruinmiervogel Sipia laemosticta is iets kleiner, heeft een rood oog en witte stippen op de zwartachtige vleugeldekveren en leeft vooral in de voetheuvels. Het vrouwtje van de kaalkopmiervogel Gymnocichla nudiceps is groter, met een olijfbruine kop en een rossere onderzijde. De zeledons miervogel Hafferia zeledoni is duidelijk groter en langstaartiger; het mannetje is geheel zwart.

Leefgebied

Ondergroei van vochtig laaglandbos en voetheuvelbos, vooral dichte begroeiing bij omgevallen bomen, langs beekjes en in oud secundair bos; van zeeniveau tot ongeveer 900 m. Zoekt op of vlak boven de grond naar insecten en andere ongewervelden, soms bij zwermen trekmieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Caribische kant van Honduras en Nicaragua tot Costa Rica, waar hij ook in het zuiden van de Pacifische kant voorkomt; in Panama aan beide kanten. Buiten het gidsgebied in het westen van Colombia en Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Algemeen langs de Camino del Oleoducto (Pipeline Road) in Panama en bij La Selva in Costa Rica. Het fluitende liedje verraadt de vogel meestal eerder dan hij te zien is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Vrij algemeen in vochtig bos met dichte ondergroei, ook in ouder secundair bos; verdwijnt waar het bos volledig wordt gekapt.

Wetenschappelijke naam

Poliocrania exsul | (Sclater, 1859) (GBIF: Myrmeciza exsul)

Sclater beschreef de soort in 1859 als Myrmeciza exsul; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Poliocrania werd in 2013 ingevoerd door Bravo, Isler & Brumfield. Poliocrania is Grieks, van polios 'grijs' en kranion 'schedel, kop', naar de grijze kop. exsul is Latijn voor 'balling, verbannene', in de zin van afgelegen of geïsoleerd; waarom Sclater die naam koos is niet overgeleverd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Panama en Nicaragua.