Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Californische mantelmeeuw

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Californische mantelmeeuw | Larus livens

Yellow-footed Gull | Gaviota pata amarilla

De Californische mantelmeeuw is een grote meeuw met een donkere mantel die bijna alleen in de Golf van Californië voorkomt; hij is daarmee een van de weinige meeuwen die vrijwel geheel tot het gidsgebied beperkt zijn. Hij werd lang als ondersoort van de Pacifische mantelmeeuw beschouwd, maar verschilt in de kleur van de poten, de roep en de rui.

Californische mantelmeeuw (Larus livens)
Foto: Rosario — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, laag kjow en een langzame reeks lage, lachende roepen, dieper en trager dan bij de Pacifische mantelmeeuw.

Luister: ZangXC339880

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

54–71 cm, een grote, zware meeuw met een dikke, gele snavel met een rode vlek bij de punt van de ondersnavel. Volwassen vogels hebben een donker leigrijze mantel en vleugels, zwarte vleugelpunten met een kleine witte spiegel, een brede witte achterrand aan de vleugel, een licht oog en helder gele poten. De kop blijft ook in de winter grotendeels wit. Het volwassen kleed wordt in het derde jaar bereikt, sneller dan bij de meeste grote meeuwen. Jonge vogels zijn bruin gevlekt met een witte buik, een donkere staart en een zwarte snavel; in de tweede winter krijgen ze al een donkere mantel en geelachtige poten.

Verwarrings­soorten

De Pacifische mantelmeeuw Larus occidentalis is iets kleiner, met roze poten en een minder zware snavel; hij leeft vooral aan de Pacifische kant van Baja California en is in de Golf van Californië zeldzaam. De kleine mantelmeeuw Larus fuscus, een zeldzame wintergast, is veel kleiner en slanker, met een dunnere snavel en een gestreepte kop in de winter. De heermanns meeuw Larus heermanni is kleiner, met een donkergrijs lichaam en een rode snavel.

Leefgebied

Rotsige en zandige kusten, eilanden en kustwater van de Golf van Californië, en havens, vissersplaatsen en vuilnisbelten. Broedt verspreid in kleine groepen of losse paren op eilanden en rotskusten. Eet vis, inktvis, krabben, eieren en jongen van andere zeevogels, en afval.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Langs de kusten en op de eilanden van de Golf van Californië, van de noordpunt bij de monding van de Colorado tot Cabo San Lucas aan de westkant en tot het noorden van Sinaloa aan de oostkant. Buiten de broedtijd ook zuidelijker langs de kust van Sinaloa en zeldzaam tot Nayarit, en zeldzaam aan de Pacifische kant van Baja California. Buiten het gidsgebied trekken na de broedtijd vooral jonge vogels naar de Salton Sea in Californië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Havens en stranden rond de Golf van Californië, zoals bij Puerto Peñasco, Bahía de Kino, Guaymas, Bahía de los Ángeles en La Paz, bieden het hele jaar de beste kans. De helder gele poten zijn het beste kenmerk.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De populatie is klein en grotendeels beperkt tot de Golf van Californië, maar stabiel; de broedeilanden zijn grotendeels beschermd. In het gidsgebied een standvogel.

Wetenschappelijke naam

Larus livens | Dwight, 1919

Dwight beschreef de soort in 1919 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. livens is Latijn voor 'blauwgrijs, loodkleurig', naar de donkere leigrijze mantel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Isla San José in Baja California Sur, Mexico.