Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Citroenzanger
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Citroenzanger | Protonotaria citrea
Prothonotary Warbler | Chipe dorado
De citroenzanger is een goudgele zanger met blauwgrijze vleugels van moerasbos en mangrove. Hij broedt in moerasbossen in het oosten van de Verenigde Staten en is een van de weinige zangers van Noord-Amerika die in boomholtes nestelen. In het gidsgebied is hij vooral doortrekker langs de Golfkust, op het schiereiland Yucatán en aan de Caribische kant, en overwintert hij vooral in mangrove in het zuiden van Midden-Amerika.
Geluid
De zang is een reeks van vijf tot tien luide, heldere, gelijke tonen, tswiet tswiet tswiet tswiet. Roep een luid, metalig tsjip. In de winter vooral de roep.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–14 cm. Kop en onderdelen intens goudgeel tot oranjegeel, onderstaartdekveren wit. Rug olijfgroen; vleugels en staart blauwgrijs zonder vleugelstrepen. De staart heeft grote witte vlekken die vooral van onderen te zien zijn. Groot donker oog in een egaal gele kop; snavel vrij lang, spits en zwart. Vrouwtje en jonge vogels zijn matter, met een olijfgroene tint op kruin en nek.
Verwarringssoorten
De blauwvleugelzanger Vermivora cyanoptera heeft een zwarte oogstreep en twee duidelijke witte vleugelstrepen. De gele zanger Setophaga aestiva en de mangrovezanger Setophaga petechia hebben gele randen aan de vleugelveren, gele staartvlekken en een kortere snavel, en geen blauwgrijze vleugels. Het vrouwtje van de monnikszanger Setophaga citrina heeft olijfgroene vleugels en rug en gele onderstaartdekveren.
Leefgebied
In de winter vooral mangrove en moerasbos langs de kust, ook de randen van lagunes en overstromingsbos langs rivieren in het laagland. Op doortrek ook in kustbos, struweel, parken en tuinen. Zoekt insecten en spinnen laag tot middenhoog in de vegetatie, vaak dicht bij water; eet in de winter ook nectar en vruchten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het oosten en zuidoosten van de Verenigde Staten en het uiterste zuiden van Ontario. Overwintert van het zuiden van Mexico door Midden-Amerika tot het noorden van Colombia en Venezuela, en schaars in het Caribisch gebied. In het gidsgebied het talrijkst in de winter in mangrove aan de Caribische en Pacifische kust van Costa Rica en Panama; noordelijker schaarser. Doortrek vooral langs de Golfkust van Mexico, over het schiereiland Yucatán en langs de Caribische kust.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op de najaarstrek, vooral in augustus en september, aan de kust van het schiereiland Yucatán en in Belize; in de winter in mangrove aan de kusten van Panama.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Op lange termijn achteruitgegaan door het verlies van moerasbos in het broedgebied; de kap van mangrove bedreigt het overwinteringsgebied.
Wetenschappelijke naam
Protonotaria citrea | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Motacilla citrea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Protonotaria werd in 1858 ingevoerd door Baird. Protonotaria komt van het laatlatijnse protonotarius 'protonotaris', een hoge pauselijke ambtenaar wiens gele gewaad aan het verenkleed doet denken. citrea is Latijn voor 'citroengeel', naar het felgele verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Louisiana (VS).




