Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Dennenzanger
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Dennenzanger | Setophaga pinus
Pine Warbler | Chipe pinero
De dennenzanger is een vrij grote, ongestreepte zanger met een stevige snavel en twee witte vleugelstrepen. Hij is gebonden aan pijnbomen en overwintert grotendeels binnen zijn broedgebied in het zuidoosten van de Verenigde Staten. In het gidsgebied is hij een zeldzame wintergast in het noordoosten van Mexico.
Geluid
De zang is een muzikale triller op één toonhoogte, zachter en minder droog dan die van de musgors Spizella passerina, ongeveer tritritritritritri. De roep is een vol, wat dof tsjip.
Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13–14 cm. Vrij lange staart en een relatief dikke snavel. Olijfgroene bovendelen zonder strepen, twee duidelijke witte vleugelstrepen, een vage gele wenkbrauwstreep en gebroken oogring en een donkere wang met een lichte halsvlek. Het mannetje heeft een gele keel en borst met vage, donkere strepen op de borstzijden. Vrouwtjes zijn doffer; jonge vogels in de herfst zijn grijsbruin met bijna geen geel, maar hebben wel de witte vleugelstrepen en witte vlekken in de staart.
Verwarringssoorten
De geelkeelzanger Setophaga dominica heeft grijze bovendelen, een zwart masker en een witte wenkbrauwstreep. De grijze winterkleden van de kastanjezanger Setophaga castanea en de zwartkopzanger Setophaga striata hebben gestreepte bovendelen en een kortere staart. Vireo's (Vireo) hebben een dikkere snavel met een haakje en geen witte vlekken in de staart.
Leefgebied
In pijnbos en gemengd bos met pijnbomen; in de winter ook in oeverbos, parken en tuinen met naaldbomen. Zoekt langzaam tussen de naalden en op takken naar insecten en eet in de winter ook zaden van pijnbomen en bessen; komt geregeld op de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het oosten van Noord-Amerika, van het zuidoosten van Canada tot Florida en het oosten van Texas; aparte standvogelpopulaties leven op Hispaniola en de Bahama's. Overwintert grotendeels in het zuidoosten van de Verenigde Staten. In het gidsgebied zeldzaam in de winter in het noordoosten van Mexico (Tamaulipas, Nuevo León, Coahuila); daarbuiten dwaalgast.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een kans op deze soort bestaat vooral in de winter in parken en tuinen met pijnbomen in het noordoosten van Mexico; elders is een waarneming uitzonderlijk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Algemeen in het broedgebied; de populatie neemt toe.
Wetenschappelijke naam
Setophaga pinus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Certhia pinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. pinus is Latijn voor 'den', naar de dennenbossen waarin de soort leeft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Georgia, Verenigde Staten.



