Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Geelkeelzanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Geelkeelzanger | Setophaga dominica

Yellow-throated Warbler | Chipe garganta amarilla

De geelkeelzanger is een grijs-witte zanger met een heldergele keel, een zwart masker en een lange snavel. Hij broedt in het zuidoosten van de Verenigde Staten. In het gidsgebied is hij een vrij algemene wintergast, vaak in palmen, pijnbomen en tuinbomen.

Geelkeelzanger (Setophaga dominica)
Foto: Matt Pelikan — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks heldere, fluitende noten die steeds lager en sneller wordt en eindigt met een stijgende noot, ongeveer tiew tiew tiew tew tew twi; in het gidsgebied vooral in het voorjaar te horen. De roep is een hoog, zacht tsjip, de vluchtroep een hoog sie.

Luister: ZangXC1106501

Opname: Bill Pyle — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Lange, spitse snavel. Grijze bovendelen zonder strepen, twee witte vleugelstrepen, een heldergele keel en bovenborst, een zwart masker dat als een driehoek naar de halszijde doorloopt, een witte wenkbrauwstreep en een witte vlek op de halszijde; witte onderdelen met zwarte strepen op de flanken. De geslachten lijken op elkaar; vrouwtjes en jonge vogels hebben iets minder zwart. Bij de westelijke vorm S. d. albilora is de wenkbrauwstreep voor het oog geheel wit, bij de oostelijke vorm S. d. dominica daar vaak geel.

Verwarrings­soorten

Grace' zanger Setophaga graciae is kleiner, heeft een kortere snavel, een gele wenkbrauwstreep voor het oog, geen zwart masker en geen witte halsvlek, en leeft in pijnbos in de bergen. De sparrenzanger Setophaga fusca heeft een oranjegele keel en wenkbrauwstreep en lichte strepen op de rug. De bonte zanger Mniotilta varia kruipt ook langs stammen en takken, maar heeft geen geel.

Leefgebied

In de winter half open terrein met hoge bomen: palmen en kokospalmen, pijnsavanne en pijn-eikenbos, oeverbos, droog seizoensbos, parken, tuinen en dorpen; meestal beneden 1500 m. Zoekt langzaam langs takken en tussen palmbladeren en dennennaalden naar insecten en kruipt soms als een boomkruiper langs stammen.

Verspreiding en trek

Broedt in het oosten en zuidoosten van de Verenigde Staten. Overwintert van het zuidoosten van de Verenigde Staten en West-Indië tot Midden-Amerika. In het gidsgebied algemeen aan de Golfkust van Mexico en op het schiereiland Yucatán, en vrij algemeen aan de Pacifische kant van West-Mexico tot El Salvador en in het noorden van Midden-Amerika tot Nicaragua; schaars in Costa Rica en zeldzaam in Panama.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Palmen in parken, dorpspleinen en hotelterreinen zijn in de winter een goede plek: de vogel zoekt er geduldig tussen de bladvoeten en laat zich vaak van dichtbij bekijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen; de populatie lijkt stabiel en is in het noorden van het broedgebied iets uitgebreid.

Wetenschappelijke naam

Setophaga dominica | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla dominica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. dominica verwijst vermoedelijk naar Santo Domingo (Hispaniola), via Brissons 'Figuier de S. Domingue'; Linnaeus noemde Jamaica en Dominica. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola.