Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Geelbuikporseleinhoen

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Geelbuikporseleinhoen | Laterallus flaviventer

Yellow-breasted Crake | Polluela pecho amarillo

Het geelbuikporseleinhoen is een van de kleinste rallen van de wereld, een lichtgekleurde dwerg van drijvende waterplanten en moerasranden. Anders dan de meeste kleine rallen laat het zich soms open zien, lopend over waterhyacinten of een drijvende mat van planten. In het gidsgebied komt het verspreid en plaatselijk voor, van Mexico tot Panama.

Geelbuikporseleinhoen (Laterallus flaviventer)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, schril, wat klagend kriii of tjiir, vaak herhaald; daarnaast een korte, droge ratel en zachte tiktonen. Roept vooral in de vroege ochtend en de avond.

Luister: ZangXC1076816

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm, piepklein, met een korte staart en een korte, donkere snavel. De kruin en een streep door het oog zijn donker, daarboven een opvallende witte wenkbrauwstreep. Gezicht, halszijden en borst zijn okergeel tot lichtbruin, de keel wit. De bovendelen zijn bruin, met zwarte en witte strepen en vlekjes op rug en vleugels. De flanken en onderstaart zijn zwart-wit gebandeerd. De poten zijn opvallend geel. Mannetje en vrouwtje lijken op elkaar. Vliegt met snelle vleugelslagen en bungelende poten over korte afstand.

Verwarrings­soorten

De amazonedwergral Laterallus exilis is iets groter, met een grijze kop en borst, een kastanjebruine nek en een groenige snavel, zonder wenkbrauwstreep. De zwarte dwergral Laterallus jamaicensis is donker leigrijs met een roodbruine nek en donkere poten. De soraral Porzana carolina is veel groter, met een dikke gele snavel en een zwart gezicht. Jonge sorarallen zijn okerbruin, maar missen de witte wenkbrauwstreep en de gele poten.

Leefgebied

Zoetwatermoerassen met drijvende planten zoals waterhyacint en waterlelie, randen van meren, lagunes en trage rivieren, overstroomde graslanden en rijstvelden; van zeeniveau tot ongeveer 1000 m, meestal lager. Klimt behendig door de vegetatie en loopt over drijvende bladeren. Eet insecten, kleine slakken en zaden. Het nest is een bolvormig bouwsel van plantenmateriaal, laag in dichte biezen of gras boven het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In Mexico schaars en zeer plaatselijk: langs de Golfkust in Veracruz en Tabasco en aan de Pacifische kant in Nayarit. Verder plaatselijk in Belize, in Petén en Izabal in Guatemala, rond het meer van Yojoa en in het laagland van Cortés in Honduras, en zeldzaam in El Salvador en Nicaragua. In Costa Rica vooral in de noordelijke laagvlakte, onder meer rond Caño Negro, en plaatselijk aan de Pacifische kant; in Panama vooral in het gebied van het Panamakanaal en in Bocas del Toro. Buiten het gidsgebied op de Grote Antillen en in grote delen van Zuid-Amerika ten oosten van de Andes.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De moerassen rond Caño Negro in het noorden van Costa Rica en de oevers van het Gatúnmeer bij Gamboa in Panama zijn bekende plekken. De vogel loopt soms in de vroege ochtend over drijvende planten aan de rand van open water; stil wachten bij een rand met waterhyacinten geeft de beste kans.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de soort heeft een groot areaal in Midden- en Zuid-Amerika. In het gidsgebied is ze schaars en plaatselijk en gevoelig voor het droogleggen van moerassen en het verdwijnen van drijvende vegetatie.

Wetenschappelijke naam

Laterallus flaviventer | (Boddaert, 1783) (GBIF: Porzana flaviventer)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Rallus flaviventer; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Laterallus werd in 1855 ingevoerd door Gray. Laterallus is een samentrekking van Rallus lateralis, een oud synoniem van de roodflankral; Latijn lateralis 'van de zijkant' slaat op de gekleurde flanken. flaviventer is Latijn, van flavus 'geel' en venter 'buik', naar de geelachtige onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cayenne, Frans-Guyana.