Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Rosse dwergral

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Rosse dwergral | Laterallus ruber

Ruddy Crake | Polluela rojiza

De rosse dwergral is een kleine, egaal roodbruine ral met een donkergrijze kop, de algemeenste dwergral van het noordelijke deel van het gidsgebied. Hij leeft verborgen in dicht gras en moerasvegetatie en wordt vooral opgemerkt aan de lange, ratelende roep, vaak in duet. Het hele verspreidingsgebied ligt binnen het gidsgebied, van Mexico tot Nicaragua.

Rosse dwergral (Laterallus ruber)
Foto: Luis Mora — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, dalende, ratelende triller van enkele seconden, eerst luid en dan wegstervend, vaak door twee vogels tegelijk; daarnaast een scherp tsjik en een zacht snorren. Roept het hele jaar door, overdag en 's nachts.

Luister: DuetXC972388

Opname: Whitney Neufeld-Kaiser — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–16 cm, klein en kortstaartig, met een korte, donkere snavel. Kop en nek zijn donker leigrijs, de kruin het donkerst, de keel wat lichter. Rug, vleugels, borst en buik zijn egaal warm roodbruin, zonder bandering op de flanken. Het oog is rood, de poten olijfgroen tot bruinig. Mannetje en vrouwtje lijken op elkaar. Jonge vogels zijn doffer en donkerder bruin, met een grijzere kop en een donker oog.

Verwarrings­soorten

De witkeeldwergral Laterallus albigularis, waarvan het areaal nauwelijks met dat van de rosse dwergral overlapt, heeft een witte keel, een olijfbruine rug en zwart-wit gebandeerde flanken. De amazonedwergral Laterallus exilis heeft een lichtgrijze borst en gebandeerde flanken. De effen bosral Amaurolimnas concolor is groter en egaal bruin, ook op de kop, met een groenige snavel en rode poten. Het roodsnavelporseleinhoen Mustelirallus erythrops heeft een rood-gele snavel en een grijze borst.

Leefgebied

Natte graslanden, moerassen en randen van vijvers en sloten met dicht gras, ruige weilanden, oude akkers, rijstvelden en begroeide greppels langs wegen; van zeeniveau tot ongeveer 1500 m. Verdraagt door de mens veranderd land goed, zolang er dichte, vochtige grasbegroeiing is. Eet insecten, spinnen en zaden. Het nest is een bolvormig bouwsel van gras met een zij-ingang, in dichte vegetatie vlak boven de grond of het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In Mexico aan de Golfkant vanaf het zuiden van Tamaulipas door Veracruz en Tabasco tot het schiereiland Yucatán, en aan de Pacifische kant vooral vanaf Oaxaca en Chiapas, met verspreide waarnemingen noordwestelijk tot Colima en Jalisco. Verder in heel Belize en Guatemala, in El Salvador, in Honduras tot in de hooglanden rond Tegucigalpa, en in Nicaragua, vooral in het noorden en de hooglanden. Zeldzaam in het noordwesten van Costa Rica. Komt buiten het gidsgebied niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Belize, op het schiereiland Yucatán en in Petén in Guatemala te horen langs vrijwel elk nat, grazig wegdeel of greppel. De ratelende roep is de sleutel; een vogel die snel een pad oversteekt of even aan een slootkant verschijnt, is vaak het enige wat te zien is. In de vroege ochtend is de kans het grootst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in een groot deel van het areaal algemeen. De soort profiteert plaatselijk van het openmaken van bos voor weiland en landbouw, zolang er natte, grazige plekken overblijven.

Wetenschappelijke naam

Laterallus ruber | (Sclater & Salvin, 1860)

Sclater & Salvin beschreef de soort in 1860 als Corethrura rubra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Laterallus werd in 1855 ingevoerd door Gray. Laterallus is een samentrekking van Rallus lateralis, een oud synoniem van de roodflankral; Latijn lateralis 'van de zijkant' slaat op de gekleurde flanken. ruber is Latijn voor 'rood', naar het roodbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Verapaz, Guatemala.