Alle soorten › Papegaaiachtigen › Papegaaien › Halvemaanparkiet

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Halvemaanparkiet | Eupsittula canicularis

Orange-fronted Parakeet | Perico frente naranja

De halvemaanparkiet is een kleine, langstaartige parkiet met een oranje voorhoofd en een blauwe kruin. Hij leeft aan de Pacifische kant van het gidsgebied, van het noordwesten van Mexico tot Costa Rica, en is daar in droogbos en halfopen land de parkiet die het vaakst wordt gezien. Buiten de broedtijd trekt hij in luidruchtige groepen rond.

Halvemaanparkiet (Eupsittula canicularis)
Foto: derivative work: Snowmanradio (talk) OFPA.JPG: Cwood1 Charlene Wood — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Schel en doordringend; een scherp, raspend kriek of krie-krie, in de vlucht vaak snel herhaald. Groepen in een boom laten een aanhoudend gesnater horen.

Luister: ZangXC678379

Opname: Alán Palacios — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

24 cm, met een lange, spitse staart. Overwegend groen, aan de onderkant lichter en geelgroener, met een olijfbruine waas op keel en borst. Het voorhoofd is oranje, de voorkruin dofblauw en rond het oog zit een kale, gele tot oranjegele ring. De handpennen en een deel van de armpennen zijn blauw; van onderen zijn de slagpennen grijsgeel. De snavel is licht hoornkleurig. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; jonge vogels hebben minder oranje op het voorhoofd.

Verwarrings­soorten

De olijfkeelaratinga Eupsittula nana, aan de Caribische kant, heeft geen oranje voorhoofd en een donkerder olijfbruine keel en borst. De groene aratinga Psittacara holochlorus en de pacifische aratinga Psittacara strenuus zijn groter, geheel groen en hebben geen oranje of blauw op de kop. De toviparkiet Brotogeris jugularis is kleiner, met een korte staart, een oranje kinvlek en bruine schouders. De Mexicaanse muspapegaai Forpus cyanopygius in West-Mexico is veel kleiner en heeft een korte staart.

Leefgebied

Tropisch droogbos, doornstruweel, galerijbos, mangrove en halfopen land met verspreide bomen, ook weiland met bomen, boomgaarden en dorpen; van zeeniveau tot ongeveer 1500 m. Eet zaden, vruchten, bloemen en nectar, in de droge tijd vaak in bloeiende bomen. Broedt in de droge tijd in een zelf uitgegraven holte in een termietennest in een boom.

Verspreiding en trek

Aan de Pacifische kant van Mexico van het zuiden van Sinaloa door Nayarit, Jalisco, Colima, Michoacán, Guerrero en Oaxaca naar Chiapas, ook in het binnenland in het stroomgebied van de Balsas en de centrale depressie van Chiapas; verder door de Pacifische laaglanden en droge binnendalen van Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua naar het noordwesten en midden van Costa Rica (Guanacaste, Puntarenas en het westen van de Centrale Vallei). Komt buiten het gidsgebied van nature niet voor; op Puerto Rico leeft een kleine ingevoerde populatie.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de droge tijd zitten groepen vaak in bloeiende bomen, waar ze nectar en bloemen eten. Vliegende groepen zijn te herkennen aan de snelle vleugelslag, de lange spitse staart en de schelle roep; het oranje voorhoofd is vooral bij zittende vogels te zien. Algemeen in Guanacaste in Costa Rica, bijvoorbeeld in het nationaal park Santa Rosa.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. Sterk achteruitgegaan door vangst voor de handel in kooivogels, waarvoor hij in Mexico en Midden-Amerika een van de meest gevangen parkieten is, en door verlies van droogbos. Plaatselijk nog algemeen, vooral in Nicaragua en Costa Rica.

Wetenschappelijke naam

Eupsittula canicularis | (Linnaeus, 1758) (GBIF: Aratinga canicularis)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Psittacus canicularis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eupsittula werd in 1853 ingevoerd door Bonaparte. Eupsittula is Grieks eu 'goed, echt' plus nieuw-Latijn psittacula 'papegaaitje': 'echt parkietje'. canicularis is Latijn voor 'van de Hondsster' of 'van de hondsdagen' (canicula); waarom Linnaeus deze naam koos is niet duidelijk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordwestelijk Costa Rica.