Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Hammonds feetiran
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Hammonds feetiran | Empidonax hammondii
Hammond's Flycatcher | Mosquero de Hammond
De hammonds feetiran is een kleine, grijsgroene Empidonax-tiran die broedt in naaldbos in het westen van Noord-Amerika en in de winter naar de hooglanden van Mexico en het noorden van Midden-Amerika trekt. Hij zoekt vooral in de kronen en het middenniveau van dennen- en eikenbos naar insecten en trilt daarbij vaak met vleugels en staart. Zoals bij alle feetirannen is de roep een belangrijk kenmerk.
Geluid
De roep is een hoog, scherp piek, duidelijk anders dan het zachte wit van de struikfeetiran en de alsemfeetiran. De zang, een korte reeks hese, deels schorre frasen, is in het gidsgebied vooral in het voorjaar te horen.
Opname: Andrew McCafferty — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–14 cm, met lange vleugels en een vrij korte staart. Snavel klein en smal, de ondersnavel grotendeels donker. Kop en borst grijs, de rug grijsolijf; de keel grijzig en niet duidelijk lichter dan de borst. Een witte oogring die achter het oog vaak iets breder is. Vleugels donker met twee lichte vleugelstrepen; de handpennen steken ver voorbij de armpennen uit. In vers verenkleed in de herfst en winter kan de buik geelachtig getint zijn. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De struikfeetiran Empidonax oberholseri heeft een langere staart, kortere vleugels, een langere snavel met lichtere basis van de ondersnavel en een lichtere keel. De alsemfeetiran Empidonax wrightii is bleker grijs, met een langere snavel met lichte ondersnavel en een donkere punt, en beweegt de staart langzaam omlaag in plaats van omhoog. De kleine feetiran Empidonax minimus heeft kortere vleugels, een bredere snavel met lichte ondersnavel en een witte keel. De dennenfeetiran Empidonax affinis is een standvogel van dennenbos met een gelere onderzijde en een lichte ondersnavel.
Leefgebied
In de winter in dennen-, pijn-eiken- en eikenbos en in nevelwoud van de hooglanden, ook in bosranden en open bos met hoge bomen; tijdens de trek ook lager. Vangt insecten in korte vluchten vanaf een tak en zoekt ze tussen het gebladerte. Broedt niet in het gidsgebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het westen van Noord-Amerika, van Alaska tot de bergen van Californië en New Mexico. Overwintert van het uiterste zuidwesten van de Verenigde Staten en het noorden van Mexico door de hooglanden van het westen en midden van Mexico tot Guatemala, El Salvador en Honduras; in klein aantal verder zuidelijk.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van oktober tot maart een van de gewone feetirannen in de pijn-eikenbossen van de Mexicaanse hooglanden, vaak in gemengde groepen kleine zangvogels. Het hoge piek en het voortdurend trillen met vleugels en staart helpen bij de herkenning.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Algemeen in zijn broedgebied en een gewone wintergast in de hooglanden van Mexico en het noorden van Midden-Amerika.
Wetenschappelijke naam
Empidonax hammondii | (Xántus, 1858)
Xántus beschreef de soort in 1858 als Tyrannula hammondii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Empidonax werd in 1855 ingevoerd door Cabanis. Empidonax is Grieks, van empis 'mug' en anax 'heerser': 'muggenkoning', naar de insectenjacht. hammondii eert William Alexander Hammond (1828–1900), Amerikaans legerarts en later surgeon general, die vogels verzamelde voor Spencer Baird. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Fort Tejon, Californië.




