Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Harpij
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves
Harpij | Harpia harpyja
Harpy Eagle | Águila arpía
De harpij is de zwaarste roofvogel van de Amerikaanse tropen: een grote bosarend met een grijze kop met een gespleten kuif, een brede zwarte borstband en zeer dikke poten met een achterklauw van ongeveer 12 cm. Hij jaagt in het bladerdak vooral op luiaarden en apen, daarnaast op stekelvarkens, neusberen en grote vogels. In het gidsgebied is hij een zeldzame standvogel van groot, ongerept regenwoud; het grootste deel van de populatie leeft in Darién in het oosten van Panama, verder noordelijk is hij zeer schaars geworden.
Geluid
Meestal stil. Rond het nest een lange, klagende, hoge roep, wiiiie-oe; jonge vogels bedelen langdurig met een hoog, piepend kwie-kwie.
Opname: Felipe Arantes — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
89–105 cm. Volwassen vogels hebben een lichtgrijze kop met een donkere, gespleten kuif die rechtop gezet kan worden, een zwarte borstband en witte onderdelen met fijn gebandeerde dijen. De bovendelen zijn leigrijs tot zwartachtig; de staart is lang, met drie of vier brede grijze banden. De snavel is zwart, de poten zijn geel en zeer dik. In de vlucht zijn de vleugels kort en breed, van onderen wit met zwart gebandeerde slagpennen. Jonge vogels zijn veel lichter, met een witte kop en onderdelen en lichtgrijze bovendelen; het volwassen kleed wordt pas na vier tot vijf jaar bereikt. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; het vrouwtje is duidelijk groter en kan bijna twee keer zo zwaar zijn.
Verwarringssoorten
De wurgarend Morphnus guianensis is kleiner en slanker, met dunnere poten, een kuif met één punt en een grijze in plaats van zwarte borst; jonge vogels van beide soorten lijken sterk op elkaar, maar de jonge harpij is forser, met dikkere poten, een kortere staart en een gespleten kuif. De zwart-witte kuifarend Spizaetus melanoleucus en de jonge bonte kuifarend Spizaetus ornatus zijn veel kleiner, hebben tot op de tenen bevederde poten en geen borstband.
Leefgebied
Groot, aaneengesloten vochtig laaglandregenwoud en heuvelbos, vooral onder 900 m, ook het regenwoud van Darién en galerijbos. Broedt in de kruin van de hoogste bomen, vaak een kapokboom of een andere boom die boven het bladerdak uitsteekt; een paar brengt hooguit eens in de twee à drie jaar één jong groot. Jaagt vanaf een zitpost in het bladerdak en vliegt zelden hoog boven het bos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Standvogel van het zuiden van Mexico tot Panama, maar in het grootste deel van dat gebied zeer zeldzaam. In Mexico alleen nog verspreide waarnemingen in Chiapas, Oaxaca, Tabasco en Veracruz; in Belize, Guatemala, Honduras (Mosquitia), Nicaragua en Costa Rica zeldzaam en plaatselijk, vooral in grote bosgebieden aan de Caribische kant. In Panama vooral in Darién en ook in grote bossen verder westelijk. In El Salvador verdwenen. Buiten het gidsgebied in tropisch Zuid-Amerika tot in het noordoosten van Argentinië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is in Darién in Panama, waar lokale gidsen bezoekers naar bekende nestbomen brengen; een jong blijft na het uitvliegen nog maanden in de buurt van het nest. In de rest van het gidsgebied is een waarneming een uitzondering.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar. De soort gaat achteruit door ontbossing, die het leefgebied versnippert, en door afschot, waarvoor hij door de trage voortplanting zeer gevoelig is. In het noorden van het gidsgebied is hij grotendeels verdwenen; in Belize en Panama zijn in gevangenschap gekweekte vogels uitgezet.
Wetenschappelijke naam
Harpia harpyja | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Vultur Harpyja; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Harpia werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Harpia komt van het Griekse harpuia 'harpij', een mythisch roofmonster met vogellijf en vrouwengezicht. harpyja is de gelatiniseerde vorm van het Griekse harpuia 'harpij', het mythische roofmonster met vogellijf. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mexico.



