Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Kanoet

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Kanoet | Calidris canutus

Red Knot | Correlimos gordo

De kanoet is een middelgrote, gedrongen strandloper die broedt in het hoge noorden en tot de verst trekkende vogels ter wereld behoort. In het gidsgebied is hij een plaatselijke doortrekker en wintergast op grote getijdenvlakten en in lagunes; in het noordwesten van Mexico overwintert de ondersoort roselaari, die in Alaska en Oost-Siberië broedt, en langs de Golfkust komen vogels van de ondersoort rufa voor.

Kanoet (Calidris canutus)
Foto: ALAN SCHMIERER — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, laag knut of wut-wut, waaraan de soort haar Nederlandse en Engelse naam ontleent; in groepen ook een gedempt gekwetter.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1162054

Opname: Arend Wassink — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

23–26 cm, groter en zwaarder dan de meeste strandlopers, met een korte hals, korte groengrijze poten en een rechte, zwarte snavel ongeveer zo lang als de kop. In winterkleed egaal lichtgrijs van boven, met fijne donkere schachtstreepjes, een witte wenkbrauwstreep en een witte buik met grijs bespikkelde borst en flanken. Jonge vogels hebben op de bovendelen een fijn schubbenpatroon door donkere en lichte veerranden en een licht beige zweem op de borst. In broedkleed, in het voorjaar soms al te zien, zijn gezicht en onderdelen roestrood. In vlucht een smalle witte vleugelstreep en een lichtgrijze, fijn gebandeerde stuit.

Verwarrings­soorten

De kleine grijze snip Limnodromus griseus en de grote grijze snip Limnodromus scolopaceus hebben een veel langere snavel. De drieteenstrandloper Calidris alba is kleiner en witter, met een zwarte vleugelboeg. De zilverplevier Pluvialis squatarola heeft een kortere, dikkere snavel, grotere ogen en de typische stop-en-pik-wijze van foerageren van plevieren.

Leefgebied

Getijdenvlakten, modderbanken en zandplaten, de ondiepe randen van lagunes en zoutpannen, soms brede zandstranden. Foerageert in compacte groepen, lopend met de kop omlaag en snel prikkend naar kleine schelpdieren, kreeftjes en wormen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Doortrekker en wintergast, vooral langs de Pacifische kust van Baja California, met de lagunes van Guerrero Negro en Ojo de Liebre en de Bahía de San Quintín, en langs de Golf van Californië in Sonora en Sinaloa; in kleinere aantallen langs de Golfkust van Tamaulipas tot het schiereiland Yucatán. In Midden-Amerika schaars en onregelmatig, met de meeste waarnemingen langs de Pacifische kust en in de Bocht van Panama. Buiten het gidsgebied broedt de soort op de hoogarctische toendra rond de Noordpool en overwintert zij langs kusten van alle continenten; Amerikaanse vogels vooral in het zuidoosten van de Verenigde Staten, het noorden van Brazilië en Vuurland.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Grote getijdenvlakten en lagunes in Baja California, Sonora en Sinaloa, in de winter en tijdens de trek. De vogels mengen zich vaak tussen andere steltlopers; de compacte bouw, de rechte snavel en de korte poten onderscheiden ze.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De wereldpopulatie neemt af. De ondersoort rufa is sterk achteruitgegaan, onder meer door overbevissing van degenkrabben, waarvan de eieren tijdens de voorjaarstrek een belangrijke voedselbron zijn. De ondersoort roselaari, die in het noordwesten van Mexico overwintert, is klein in aantal en afhankelijk van een handvol lagunes, waar verstoring en kustontwikkeling een rol spelen.

Wetenschappelijke naam

Calidris canutus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa Canutus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. canutus wordt vanouds in verband gebracht met koning Knoet, naar het verhaal dat hij het tij gebood en naar het foerageren van de kanoet langs de vloedlijn, maar historische grond daarvoor ontbreekt. Een andere verklaring is dat de naam de knorrende roep nabootst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.