Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Brandingloper

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Brandingloper | Calidris virgata

Surfbird | Correlimos de rompientes

De brandingloper is een gedrongen, grijze strandloper van rotsen in de golfslag, met een korte, dikke snavel met gele basis en korte groengele poten. Hij broedt hoog in de bergen van Alaska en Yukon en overwintert langs de rotskusten van de Grote Oceaan, van Alaska tot het zuiden van Zuid-Amerika. In het gidsgebied is hij een wintergast en doortrekker langs de Pacifische kust, het talrijkst in Baja California.

Brandingloper (Calidris virgata)
Foto: DickDaniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de broedtijd meestal stil; soms een zacht, hoog kie of kip, en groepen laten bij het opvliegen een zacht getjilp horen.

Luister: ZangXC243979

Opname: Davyd Betchkal — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

24–26 cm, kortnekkig en zwaar, met een korte, rechte, dikke snavel, zwart met een duidelijk gele basis, en korte, stevige, groengele poten. In winterkleed grijsbruin van boven en over de borst, met een witte kin en een witte buik met wat vlekken op de flanken. In broedkleed is de bovenzijde gespikkeld met grote roestbruine schouderveren, en zijn kop en onderdelen wit met zwarte strepen en pijlvlekken. Jonge vogels zijn bleker, met fijne lichte veerzomen op rug en vleugel. In vlucht een witte staart met een brede zwarte eindband en een smalle witte vleugelstreep.

Verwarrings­soorten

De zwarte steenloper Arenaria melanocephala zit op dezelfde rotsen, maar is donkerder, met dofrode poten, en toont in vlucht een witte wig over de rug. De steenloper Arenaria interpres heeft helder oranje poten en een bonte kop- en borsttekening. De Amerikaanse grijze ruiter Tringa incana is slanker en egaal grijs, langer van poot en snavel, en laat in vlucht geen wit zien. Geen andere vogel van de rotskust heeft zo'n korte, dikke snavel met gele basis.

Leefgebied

Door golfslag gespoelde rotsplaten, riffen, keienstranden en rotseilandjes, en verder golfbrekers, pieren en havenhoofden; aangrenzend zand en slik alleen dicht bij rotsen. Eet vooral zeepokken, slakjes en kleine tweekleppigen, die hij met de stompe snavel van de steen wrikt. Bij hoogwater rusten groepen op hogere rotsen, vaak samen met zwarte steenlopers en steenlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Wintergast en doortrekker langs de Pacifische kust van Baja California en in de Golf van Californië, en verder zuidwaarts langs rotsige delen van de Pacifische kust van Mexico. In Midden-Amerika schaars tot zeldzaam langs de Pacifische kust, met waarnemingen onder meer in Costa Rica en Panama; aan de Caribische kant vrijwel afwezig. Buiten het gidsgebied broedt de soort in de bergen van Alaska en Yukon en overwintert zij langs de rotskusten van de Grote Oceaan van Zuidoost-Alaska tot de Straat Magellaan; het grootste deel van de winterpopulatie verblijft langs de kusten van Peru en Chili.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Golfbrekers en rotsplaten bij laagwater langs de westkust van Baja California, vaak samen met zwarte steenlopers. De gele basis van de korte, dikke snavel en de groengele poten zijn de kenmerken; in vlucht noemt de witte staart met de zwarte eindband de soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is betrekkelijk klein, en in het voorjaar verzamelt een groot deel van de soort zich in enkele baaien in Alaska, waar olievervuiling een groot deel van de vogels kan treffen. In het gidsgebied gebruikt de soort ook golfbrekers en pieren; verstoring van rustplaatsen op rotsen speelt plaatselijk een rol.

Wetenschappelijke naam

Calidris virgata | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Tringa virgata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. virgata is Latijn voor 'gestreept', naar de gestreepte kop en borst in het broedkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Prince William Sound in Alaska.