Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Kleinste jager

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Kleinste jager | Stercorarius longicaudus

Long-tailed Jaeger | Págalo rabero

De kleinste jager is de slankste en lichtst gebouwde van de jagers, met een luchtige, sternachtige vlucht. Hij broedt op de hoogarctische toendra, waar hij vooral van lemmingen leeft, en trekt door het gidsgebied naar zijn winterkwartier op het zuidelijk halfrond. Die trek verloopt grotendeels ver uit de kust, zodat de soort vooral vanaf schepen wordt gezien.

Kleinste jager (Stercorarius longicaudus)
Foto: Smudge 9000 from North Kent Coast, England — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee vrijwel altijd stil. In het broedgebied een lange reeks schrille noten en een scherp, nasaal geblaf bij verstoring.

Luister: VluchtroepXC1168603

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

35–41 cm zonder de verlengde staartpennen; bij volwassen vogels steken de twee dunne, buigzame middelste staartpennen nog 15 tot 25 cm voorbij de staart uit. Slank, met lange, smalle vleugels en een kleine snavel. De volwassen vogel is koel grijsbruin van boven, met een scherp afgetekende zwarte pet, een witte borst die naar de buik toe in grijs overgaat en meestal geen borstband; de donkere achterrand van de vleugel contrasteert met de lichtere dekveren. Slechts twee witte schachten in de handpennen, zodat de vleugel nauwelijks een lichte vlek toont. Een donkere vorm is uiterst zeldzaam. Jonge vogels variëren van licht grijsachtig tot donker, zijn koel grijsbruin en grof gebandeerd, met korte, stompe middelste staartpennen.

Verwarrings­soorten

De kleine jager Stercorarius parasiticus is forser en warmer bruin, heeft meer wit in de handpennen, vaak een borstband en kortere, spitse staartpennen. De middelste jager Stercorarius pomarinus is veel zwaarder, met brede vleugels, een dikke snavel en bij volwassen vogels gedraaide, lepelvormige staartpennen. Sterns zoals de noordse stern Sterna paradisaea zijn lichter van kleur, met een wit lichaam en een gevorkte staart.

Leefgebied

In het gidsgebied op open zee, boven de rand van het continentaal plat en daarbuiten, langs fronten en opwellingszones; komt zelden dicht onder de kust. Pikt vis en ongewervelden van het wateroppervlak en berooft soms sterns.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Doortrekker voor de Pacifische kust van het hele gidsgebied, van Baja California tot Panama, vooral ver uit de kust; aan de kant van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee schaars. Een klein aantal blijft in de winter in het gidsgebied. Buiten het gidsgebied broedt de soort rond de noordpool, in Alaska, arctisch Canada, Groenland, Noord-Scandinavië en Siberië, en overwintert zij op zee op het zuidelijk halfrond, vooral voor de kusten van Zuid-Amerika en zuidelijk Afrika.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Pelagische boottochten voor de Pacifische kust in augustus en september geven de beste kans; een jager met een lichte, verende vlucht en vrijwel geen wit in de vleugel is bijna altijd deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot, maar het aantal broedparen schommelt sterk met de lemmingstand. Doordat de soort het grootste deel van het jaar op open zee doorbrengt, is de trend slecht bekend.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius longicaudus | Vieillot, 1819

Vieillot beschreef de soort in 1819 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. longicaudus is Latijn, van longus 'lang' en cauda 'staart', naar de lange middelste staartpennen van de volwassen vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordelijk Europa.