Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Zuidpooljager

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Zuidpooljager | Stercorarius maccormicki

South Polar Skua | Págalo polar

De zuidpooljager is een grote, zware jager die broedt langs de kusten van Antarctica en na de broedtijd een lange trektocht over de oceanen maakt, tot ver op het noordelijk halfrond. In het gidsgebied is hij een schaarse en onregelmatige gast op open zee, vooral voor de Pacifische kust van Mexico, in de maanden waarin op het zuidelijk halfrond de winter heerst. Er komen lichte, middelste en donkere vogels voor, met alle overgangen daartussen.

Zuidpooljager (Stercorarius maccormicki)
Foto: Anna Soina — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee vrijwel altijd stil. In het broedgebied een rauw, lachend gah-gah-gah en schorre alarmroepen.

Luister: RoepXC953125

Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

50–55 cm. Een gedrongen, meeuwachtige jager met brede vleugels, een korte, wigvormige staart zonder verlengde middelste pennen en een zware, zwartachtige snavel. Bij alle kleurvormen een opvallende witte vlek aan de basis van de handpennen, zowel op de boven- als op de ondervleugel. Lichte vogels hebben een bleek grijsbeige kop, hals en onderzijde die scherp afsteken tegen de vrijwel zwartbruine vleugels en rug; vaak zijn fijne lichte streepjes op de nek te zien. Donkere vogels zijn egaal koud donkerbruin. Jonge vogels zijn egaler grijsbruin, met een grijze snavelbasis.

Verwarrings­soorten

De donkere vorm van de middelste jager Stercorarius pomarinus is kleiner en slanker, met smallere vleugels, een kleinere witte handpenvlek en bij volwassen vogels gedraaide, lepelvormige middelste staartpennen. Grote jagers van de Atlantische Oceaan en de kust van Zuid-Amerika, zoals de Chileense jager Stercorarius chilensis, zijn warmer bruin of kaneelkleurig en hebben vaak een donkere pet; uit het gidsgebied zijn ze niet of nauwelijks bekend.

Leefgebied

Buiten de broedtijd op open zee, meestal ver uit de kust boven diep water. Vliegt laag en doelgericht over het water en zit lange tijd op het zeeoppervlak. Achtervolgt meeuwen, pijlstormvogels en andere zeevogels om hun voedsel te bemachtigen, en eet ook vis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied vooral waargenomen op zee voor de Pacifische kust van Mexico, onder meer voor Baja California en verder zuidelijk. Voor de Pacifische kust van Midden-Amerika schaars en onregelmatig. Aan de kant van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zeer zeldzaam. Buiten het gidsgebied broedt de soort langs de kusten van Antarctica en trekt zij in de australe winter noordwaarts tot in de noordelijke Grote en Atlantische Oceaan.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Pelagische tochten ver uit de Pacifische kust tussen mei en oktober bieden de meeste kans. Een zware, donkere of koud grijsbruine jager met grote witte vleugelvlekken en zonder staartspiesen is waarschijnlijk deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De wereldpopulatie is betrekkelijk klein maar lijkt stabiel. In het gidsgebied een schaarse gast zonder broedpopulatie, waarvan de werkelijke aantallen slecht bekend zijn doordat weinig waarnemers op zee komen.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius maccormicki | (Saunders, 1893)

Saunders beschreef de soort in 1893 als Megalestris maccormicki; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. maccormicki eert de Britse marinearts en natuuronderzoeker Robert McCormick (1800–1890), die met James Clark Ross naar Antarctica voer. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Possession Island, Victorialand, Antarctica.