Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Middelste jager
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Middelste jager | Stercorarius pomarinus
Pomarine Jaeger | Págalo pomarino
De middelste jager is de zwaarste van de drie jagers met verlengde staartpennen, breed van vleugel en borst, met een tragere slag die meer aan een meeuw doet denken. Hij broedt op de arctische toendra en overwintert in warme wateren, waaronder die van het gidsgebied, waar hij op zee de meest geziene jager is. Bij volwassen vogels zijn de middelste staartpennen tot een gedraaide lepel verbreed.
Geluid
Op zee vrijwel altijd stil. In het broedgebied een hard, nasaal wiek-wiek en schorre, blaffende roepen.
Opname: Benjamin Drillat — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
46–51 cm zonder de verlengde staartpennen; bij volwassen vogels steken de twee brede, gedraaide middelste staartpennen nog 5 tot 11 cm voorbij de staart uit. Fors, met een brede borst, een dikke, tweekleurige snavel en vleugels die aan de basis breed zijn. De lichte vorm heeft een zwarte pet, gele wangen, een witte onderzijde en vaak een donker gevlekte borstband en gebandeerde flanken; de donkere vorm is egaal roetbruin en minder talrijk. In de handpennen vijf tot acht witte schachten, en op de ondervleugel vaak een tweede lichte vlek aan de basis van de grote dekveren. In het winterkleed is de pet vager en zijn stuit en flanken gebandeerd, en ontbreken de staartlepels vaak. Jonge vogels zijn koel donkerbruin en grof gebandeerd, met een lichte snavel met donkere punt.
Verwarringssoorten
De kleine jager Stercorarius parasiticus is slanker, vliegt sneller en wendbaarder en heeft bij volwassen vogels spitse, niet verbrede staartpennen. De kleinste jager Stercorarius longicaudus is nog slanker en kouder grijs, met zeer lange, dunne staartpennen. Donkere jonge meeuwen missen de witte handpenvlek en hebben een minder krachtige, rechte vlucht.
Leefgebied
Op zee boven het continentaal plat en daarbuiten, vooral in opwellingszones en bij visserijschepen; komt bij aanlandige wind dichter onder de kust. Berooft meeuwen, sterns en pijlstormvogels van hun vangst, eet ook zelf gevangen vis en visafval en doodt soms kleinere zeevogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Op zee langs beide kusten van het gidsgebied, van Baja California en de Golf van Californië tot Panama, het talrijkst voor de Pacifische kust; ook in de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee. Buiten het gidsgebied broedt de soort rond de noordpool, in het noorden van Alaska, arctisch Canada en Siberië, en overwintert zij in tropische en subtropische zeeën aan beide zijden van de evenaar.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Boottochten op de Golf van Californië of voor de Pacifische kust in de winter leveren vaak meerdere vogels op, die dicht achter het schip mee kunnen vliegen; de zware bouw en de gedraaide staartlepels zijn het best van opzij te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De wereldpopulatie wordt slecht geteld: het broedgebied is dunbevolkt en het aantal broedparen schommelt sterk met de lemmingstand.
Wetenschappelijke naam
Stercorarius pomarinus | (Temminck, 1815)
Temminck beschreef de soort in 1815 als Lestris pomarinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. pomarinus is een samentrekking van het Griekse pōma 'deksel' en rhis 'neus': de neusgaten liggen onder het hoornige dekseltje op de snavel, de washuid. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het noordpoolgebied van Europa.

