Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Neushoornalk

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Neushoornalk | Cerorhinca monocerata

Rhinoceros Auklet | Alca rinoceronte

De neushoornalk is een gedrongen, roetgrijze alk van de noordelijke Grote Oceaan met een zware, oranjegele snavel. In de broedtijd draagt hij op die snavel een rechtopstaande hoorn en op de kop twee dunne witte pluimen. In het gidsgebied komt hij alleen in de winter voor, in de koele wateren voor de noordwestkust van Baja California.

Neushoornalk (Cerorhinca monocerata)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het gidsgebied stil. Bij de kolonies 's nachts lage, loeiende en blaffende roepen.

Luister: AlarmroepXC915711

Opname: KEISUKE KAGOSHIMA — CC BY 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

35–38 cm, zwaar en kortnekkig, met een dikke kop, korte poten en spitse vleugels. Het verenkleed is donker grijsbruin, iets lichter op borst en flanken en vuilwit op de buik, zonder scherpe grenzen. In het broedkleed staat op de basis van de oranjegele snavel een lichte, rechtopstaande hoorn, en lopen twee dunne witte pluimen over de kop, één vanaf boven het oog en één vanaf de mondhoek. In het winterkleed, dat in het gidsgebied te zien is, ontbreekt de hoorn, zijn de pluimen vaag of afwezig en is de snavel doffer. Jonge vogels hebben een kleinere, donkerdere snavel. Vliegt laag en recht over het water met snelle vleugelslagen.

Verwarrings­soorten

De cassins alk Ptychoramphus aleuticus is veel kleiner, met een korte donkere snavel, een licht oog en een wit vlekje boven het oog. De kuifpapegaaiduiker Fratercula cirrhata, die in het gidsgebied hooguit uitzonderlijk opduikt, is zwarter en heeft een hogere, zwaardere snavel. Zwartbuikpijlstormvogels Puffinus opisthomelas vliegen afwisselend met glijvluchten en hebben een witte onderzijde.

Leefgebied

In de winter op zee boven het continentaal plat, vaak in het koele water van opwellingszones en meestal enkele kilometers uit de kust, alleen of in kleine groepen. Duikt naar kleine scholvis zoals ansjovis en sardines.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen voor de Pacifische kust van het noorden van Baja California, zuidwaarts tot ongeveer Isla de Cedros en de Bahía Sebastián Vizcaíno. Buiten het gidsgebied broedt de soort langs de noordelijke Grote Oceaan, van Noord-Japan en Sachalin via de Aleoeten en Zuid-Alaska tot Brits-Columbia, Washington, Oregon en Californië; in de winter trekken de vogels zuidwaarts langs de westkust van Noord-Amerika.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Pelagische tochten vanuit Ensenada of San Diego naar de Coronado-eilanden en Todos Santos geven in februari en maart de beste kans; de vogels zitten laag op het water en duiken weg wanneer de boot nadert.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot. Ingevoerde ratten en vossen op broedeilanden, verdrinking in kieuwnetten, olie en schommelingen in het visaanbod bij warm zeewater zijn plaatselijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Cerorhinca monocerata | (Pallas, 1811)

Pallas beschreef de soort in 1811 als Alca monocerata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cerorhinca werd in 1828 ingevoerd door Bonaparte. Cerorhinca is Grieks, van keras 'hoorn' en rhis, rhinos 'neus', naar het hoornachtige uitsteeksel op de snavelbasis in het broedseizoen. monocerata is Grieks, van monokerōs 'eenhoornig', naar de enkele hoorn op de snavel in het broedseizoen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap St. Elias en Kodiak in Alaska.