Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Ovenvogel

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Ovenvogel | Seiurus aurocapilla

Ovenbird | Reinita hornera

De ovenvogel is een olijfbruine, lijsterachtige zanger die over de bosbodem loopt in plaats van te hippen. Hij broedt in loofbos en gemengd bos in Noord-Amerika en is in het gidsgebied een algemene wintergast en doortrekker in bos van het laagland tot in het middengebergte. De naam verwijst naar het overkoepelde nest op de grond, dat de vorm heeft van een ouderwetse bakoven.

Ovenvogel (Seiurus aurocapilla)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang in het broedgebied is een luide, aanzwellende reeks tweelettergrepige tonen, tsjie-TJER tsjie-TJER tsjie-TJER. In de winter vooral de roep: een droog, scherp tsjuk of tsik, vaak herhaald bij verstoring. In het voorjaar soms zang voor het vertrek.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1174480

Opname: Jeff Stewart — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–16 cm. Bovendelen egaal olijfbruin. Over de kruin een oranje middenstreep, aan weerszijden begrensd door een zwarte streep. Een duidelijke witte oogring in een grijsolijf gezicht. Onderdelen wit met rijen zwarte druppelvlekken op borst en flanken en een smalle zwarte baardstreep. Poten roze. Loopt met afgemeten passen over de grond, de staart iets opgeheven. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De noordse waterlijster Parkesia noveboracensis en de louisianawaterlijster Parkesia motacilla hebben donkerder bruine bovendelen, een lange lichte wenkbrauwstreep in plaats van een oogring en geen oranje kruinstreep; ze wippen voortdurend met het achterlijf en leven langs water. De amerikaanse boslijster Hylocichla mustelina is veel groter (19–21 cm), heeft roodbruine bovendelen en grote ronde vlekken op de onderdelen.

Leefgebied

In de winter de bodem van vochtig en halfvochtig bos, droogbos met een dichte bladlaag, secundair bos en schaduwkoffie, van zeeniveau tot ongeveer 1500 m, op doortrek ook hoger en in parken en tuinen. Zoekt insecten, spinnen en andere kleine ongewervelden tussen het bladafval en houdt vaak een eigen winterterritorium aan.

Verspreiding en trek

Broedt in het zuiden van Canada en het noorden en oosten van de Verenigde Staten. Overwintert van Florida en de Golfkust door Mexico en Midden-Amerika tot Panama, in het Caribisch gebied en schaars in het noorden van Colombia en Venezuela. In het gidsgebied wijdverbreid in de laaglanden en voetheuvels aan beide kanten, vanaf het zuiden van Sinaloa en Tamaulipas zuidwaarts; het talrijkst op het schiereiland Yucatán en aan de Caribische kant, schaarser in Panama. Op doortrek ook in het noorden van Mexico.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best te vinden door in bos te letten op de droge roep en te zoeken naar een vogel die rustig over een pad of de bladlaag loopt. Een gestoorde vogel vliegt vaak op naar een lage tak en blijft daar even zitten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Algemeen en wijdverbreid. In het broedgebied gevoelig voor versnippering van bos, in het overwinteringsgebied voor de kap van laagland- en voetheuvelbos.

Wetenschappelijke naam

Seiurus aurocapilla | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla aurocapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Seiurus werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Seiurus is Grieks, van seiouros 'kwikstaart', naar het voortdurende wippen met de staart. aurocapilla is Latijn, van aurum 'goud' en -capillus '-gekroond', naar de oranje kruinstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.