Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Reuzenstern

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Reuzenstern | Hydroprogne caspia

Caspian Tern | Pagaza piquirroja

De reuzenstern is de grootste stern ter wereld, met een postuur dat eerder aan een meeuw doet denken. Hij broedt verspreid over vijf continenten. In het gidsgebied broedt hij plaatselijk in het noordwesten van Mexico; elders is hij een wintergast en doortrekker uit Noord-Amerika, die naar het zuiden toe schaarser wordt.

Reuzenstern (Hydroprogne caspia)
Foto: Mdf — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, rauw en reigerachtig kraa-ah of kreeeh-ap, lager dan bij elke andere stern. Jonge vogels die de ouders volgen, roepen een hoog, fluitend wieuw.

Luister: ZangXC1181911

Opname: Clément Bruneau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

48–60 cm, zwaargebouwd, met brede vleugels, een korte, weinig gevorkte staart en een zeer dikke, dieprode snavel met een donkere vlek voor de punt. In broedkleed is de kap volledig zwart en zonder kuif; buiten de broedtijd is het voorhoofd fijn wit gestreept en de kap grijszwart doorschoten, maar nooit zo wit als bij de koningsstern. De bovendelen zijn lichtgrijs, de onderdelen wit. In vlucht vormen de donkergrijze punten van de handpennen van onderen een duidelijke donkere vlek. De poten zijn zwart. Jonge vogels hebben een oranjerode snavel, een bruingevlekte rug en een donkere kap.

Verwarrings­soorten

De koningsstern Thalasseus maximus is iets kleiner en slanker, met een dunnere oranje snavel, een korte kuif en buiten de broedtijd een wit voorhoofd waarbij alleen de achterkop zwart is; van onderen zijn de handpennen grotendeels licht. De lachstern Gelochelidon nilotica is veel kleiner, met een korte zwarte snavel. Op afstand kan de forse bouw aan een meeuw doen denken, maar meeuwen hebben geen rode dolksnavel en duiken niet.

Leefgebied

Beschutte kustwateren: lagunes, riviermondingen, zoutpannen, ondiepe baaien en slikbanken, en ook grote meren en stuwmeren in het binnenland. Jaagt door hoog boven het water te patrouilleren met de snavel naar beneden en dan steil neer te duiken; vangt vooral vis. Rust op zandbanken, stranden en kades, vaak tussen koningssterns en meeuwen. Broedt in kolonies op kale zandige of schelprijke eilandjes.

Verspreiding en trek

Broedt plaatselijk in kolonies langs de Pacifische kust van Baja California en in de Golf van Californië. Buiten de broedtijd langs beide kusten van Mexico, in het noorden vrij algemeen en zuidwaarts schaarser; in Midden-Amerika een schaarse wintergast tot in Panama, vooral aan de Pacifische kant. Buiten het gidsgebied broedt de soort in Noord-Amerika, Europa, Azië, Afrika en Australië; de Noord-Amerikaanse vogels overwinteren van de zuidelijke Verenigde Staten tot het noorden van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Lagunes, zoutpannen en riviermondingen in het noordwesten van Mexico geven de meeste kans, vooral in de winter. In rustende groepen sterns valt de soort op door de dikke rode snavel en de donkere kap; in vlucht is de donkere onderkant van de handpennen het beste kenmerk. De lage, rauwe roep is vaak te horen voordat de vogel in zicht komt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot en in Noord-Amerika in de afgelopen decennia toegenomen, al zijn grote kolonies kwetsbaar voor verstoring, overstroming en conflicten met de visserij.

Wetenschappelijke naam

Hydroprogne caspia | (Pallas, 1770)

Pallas beschreef de soort in 1770 als Sterna caspia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hydroprogne werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Hydroprogne verbindt het Griekse hudro- 'water' met het Latijnse progne 'zwaluw'. caspia is Latijn en verwijst, net als de Nederlandse en Engelse naam elders, naar de Kaspische Zee. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaspische Zee.