Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Kolibries › Robijnkeelkolibrie

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores

Robijnkeelkolibrie | Archilochus colubris

Ruby-throated Hummingbird | Colibrí garganta rubí

De robijnkeelkolibrie is de enige kolibrie die in het oosten van Noord-Amerika broedt. Bijna de hele wereldstand overwintert in Mexico en Midden-Amerika, waar hij in de noordelijke winter een van de talrijkste kolibries van het droge laagland is. Een deel van de vogels steekt de Golf van Mexico in één nonstopvlucht over.

Robijnkeelkolibrie (Archilochus colubris)
Foto: ZankaM — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, kort tsjuu of tsjip, en bij achtervolgingen een snel, kwetterend gepiep. De vleugels geven in de vlucht een zacht zoemen, bij het mannetje iets hoger.

Luister: VluchtroepXC1177201

Opname: Anne McCormack — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

8–9 cm, met een rechte, middellange zwarte snavel. Het mannetje is glanzend groen op de bovendelen, met een metaalachtig robijnrode keel die bij slecht licht zwart lijkt, een zwart gezicht en kin, een witte borst onder de keel en grijsgroene flanken; de staart is gevorkt en donker. Het vrouwtje heeft een witte keel en onderkant, licht grijsbruine flanken en een afgeronde staart met witte toppen aan de buitenste pennen. Jonge mannetjes hebben een gestreepte keel, vaak met enkele rode veertjes.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje en jonge vogels van de zwartkinkolibrie Archilochus alexandri zijn vrijwel gelijk; die soort heeft een iets langere snavel, bredere en meer afgeronde binnenste handpennen, een doffere kruin en wipt meer met de staart. Mannetjes van de zwartkinkolibrie hebben een zwarte keel met een paarse onderrand. Vrouwtjes van Selasphorus-soorten, zoals de rosse kolibrie Selasphorus rufus, hebben roestbruin op de flanken en aan de staartbasis.

Leefgebied

In de winter vooral droog en halfbladverliezend bos, doornstruweel, bosranden, galerijbos, citrus- en koffieplantages en tuinen met bloeiende bomen en struiken, van zeeniveau tot ongeveer 1500 m. Verdedigt bloemrijke plekken en neemt daarnaast kleine insecten en spinnen.

Verspreiding en trek

Overwintert van het zuiden van Mexico, vooral aan de Pacifische kant en op het schiereiland Yucatán, via Guatemala, Belize, El Salvador, Honduras en Nicaragua tot in Costa Rica; in het westen van Panama schaars. In de trektijd talrijk langs de Golfkust van Tamaulipas en Veracruz. Broedt niet in het gidsgebied; het broedgebied ligt in het oosten van de Verenigde Staten en het zuiden van Canada.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de noordelijke winter bij bloeiende bomen en struiken langs bosranden en in tuinen in het droge Pacifische laagland en op Yucatán. In september en oktober en opnieuw in maart en april trekken grote aantallen langs de kust van de Golf van Mexico.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldstand is groot en lijkt toe te nemen. De soort is afhankelijk van bloemrijk droogbos en struweel in het winterkwartier.

Wetenschappelijke naam

Archilochus colubris | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Trochilus Colubris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Archilochus werd in 1854 ingevoerd door Reichenbach. Archilochus eert de Griekse dichter Archilochos van Paros (7e eeuw v.Chr.); Reichenbach noemde veel kolibriegeslachten naar figuren uit de oudheid. colubris is een verlatijnsing van colibri, de Franse en Spaanse naam voor een kolibrie. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina, Verenigde Staten.