Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Roestvleugelgors
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Roestvleugelgors | Peucaea carpalis
Rufous-winged Sparrow | Zacatonero ala rufa
De roestvleugelgors is een slanke, grijze gors met roodbruine kopstrepen en twee donkere baardstrepen, die leeft in woestijngrasland met verspreide struiken. Hij broedt pas na het begin van de zomerregens. In het gidsgebied komt hij voor in Sonora en Sinaloa; daarbuiten alleen in het zuiden van Arizona.
Geluid
De zang is een reeks scherpe tsjip-tonen die versnelt tot een heldere triller, als een stuiterend balletje. Daarnaast een kortere zang van een paar tikken gevolgd door een triller. De roep is een hoog tsiep.
Opname: Pat Goltz — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13–15 cm. Kop grijs met een roodbruine kruin, vaak met een smalle grijze middenstreep, en een roodbruine streep achter het oog. Twee smalle donkere strepen op de keelzijde: een snorstreep en een baardstreep. Rug grijsbruin met donkere strepen. Onderdelen effen lichtgrijs, zonder strepen. De roodbruine vlek op de schouder is vaak verborgen. Staart vrij lang en afgerond. Snavel kegelvormig en geelachtig roze. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben een fijn gestreepte borst.
Verwarringssoorten
De musgors Spizella passerina is kleiner, met een donkere oogstreep tot aan de snavel, zonder baardstrepen, en heeft een kortere, gevorkte staart. De roestkruingors Aimophila ruficeps heeft één zwarte baardstreep, een witte oogring en een donkerder roodbruine kruin, en leeft op rotsige hellingen. Botteri's gors Peucaea botterii en Cassins gors Peucaea cassinii hebben een bruinere, gestreepte kop zonder roodbruine kruin.
Leefgebied
Vlak tot licht glooiend woestijngrasland met verspreide mesquite, acacia en andere doornstruiken, open doornstruweel en grazige randen van droge beddingen, meestal beneden 1200 m. Zoekt op de grond naar zaden en insecten. Begint pas met broeden als in de zomer de regens vallen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied in het noorden en midden van Sonora en zuidwaarts tot in Sinaloa. Daarbuiten in het zuiden van Arizona.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best te vinden in juli en augustus, wanneer de mannetjes na de eerste zomerregens vanaf een struik of mesquite zingen; buiten die periode stil en onopvallend.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Plaatselijk algemeen, maar afhankelijk van woestijngrasland dat verdwijnt door overbegrazing, het oprukken van struikgewas en verstedelijking.
Wetenschappelijke naam
Peucaea carpalis | Coues, 1873
Coues beschreef de soort in 1873 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Peucaea werd in 1839 ingevoerd door Audubon. Peucaea is Grieks, van peukē 'pijnboom'; Audubon noemde de typesoort de 'Pinewood-Finch', naar de dennenbossen waarin die leeft. carpalis is nieuw-Latijn voor 'van de pols', van carpus 'pols', naar de roestbruine vlek bij de vleugelbocht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tucson, Arizona, VS.



