Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Roodnekbosral

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Roodnekbosral | Aramides axillaris

Rufous-necked Wood Rail | Rascón cuello rufo

De roodnekbosral is een middelgrote bosral met een kastanjebruine kop, hals en borst, een grijze vlek op de bovenrug en een zwarte achterkant. Hij leeft vooral in mangrove en kustmoerasbos en komt bij eb vaak op open slik. In het gidsgebied komt hij langs beide kusten voor, van Noordwest-Mexico en het schiereiland Yucatán tot Panama.

Roodnekbosral (Aramides axillaris)
Foto: Alan Schmierer — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, doordringende reeks van korte, harde tonen, pik-pik-pik-pik of kie-kie-kie, vaak herhaald en soms door meerdere vogels tegelijk, vooral in de schemering. Daarnaast een scherp kek bij onrust.

Luister: ZangXC366704

Opname: Roland Rumm — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–31 cm, een slanke bosral op lange poten. Kop, hals, borst en flanken zijn helder kastanjebruin; de keel is lichter, soms witachtig. Op de bovenrug ligt een blauwgrijze vlek die de kastanjebruine hals van de olijfbruine rug en vleugels scheidt. Buik, stuit, onderstaartdekveren en de korte staart zijn zwart tot zwartachtig grijs. De ondervleugel is roodbruin met zwarte banden. De snavel is groengeel, het oog rood en de poten koraalrood. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een grijzere borst.

Verwarrings­soorten

De witbuikbosral Aramides albiventris en de cayennebosral Aramides cajaneus zijn groter, met een grijze hals en kop en alleen een roodbruine borst. De effen bosral Amaurolimnas concolor is kleiner en geheel bruin, zonder grijs en zwart. De klapperral Rallus crepitans en de grijze ral Rallus longirostris van dezelfde mangrove zijn grijsbruin, met een lange, iets gebogen snavel en gebande flanken.

Leefgebied

Vooral mangrove en kustmoerasbos, ook brak moeras, oeverbos langs lagunes en rivieren en, op het schiereiland Yucatán, vochtig seizoensbos en bosplekken rond cenotes ver van de kust. Foerageert op het slik tussen de mangrovewortels en aan de bosrand op krabben, andere ongewervelden en zaden, vaak bij eb. Loopt met opgewipte staart en vlucht bij verstoring lopend de dekking in. Het nest is een kom van takjes en bladeren in een struik of lage boom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Aan de Pacifische kant van Sinaloa en Nayarit zuidwaarts langs de kust van Mexico, Guatemala, El Salvador, Honduras, Nicaragua en Costa Rica tot Panama; aan de Atlantische kant op het schiereiland Yucatán, in Belize, langs de Caribische kust van Guatemala en Honduras, op de Bahía-eilanden en plaatselijk verder zuidelijk. Overal plaatselijk en sterk gebonden aan mangrove. Buiten het gidsgebied langs de kusten van het noorden van Zuid-Amerika tot Ecuador en de Guyana's, en op Trinidad.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Boottochten door de mangrove rond San Blas in Nayarit bieden een goede kans, zeker bij laag water, als vogels over het slik lopen. In Belize en op het schiereiland Yucatán ook in mangrove en kustbos langs lagunes. Meestal valt eerst de harde roepreeks op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gidsgebied plaatselijk vrij algemeen in goed ontwikkelde mangrove. Het kappen van mangrove voor garnalenkweek, toerisme en bebouwing vermindert het leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Aramides axillaris | Lawrence, 1863

Lawrence beschreef de soort in 1863 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Aramides werd in 1845 ingevoerd door Pucheran. Aramides is Aramus (koerlan) met Grieks -oidēs 'lijkend op': 'koerlan-achtige'. axillaris is Latijn voor 'van de oksel', naar de roodbruine okselveren onder de vleugel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Barranquilla, Colombia.