Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Schoorsteengierzwaluw
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Nachtzwaluwen en gierzwaluwen Strisores
Schoorsteengierzwaluw | Chaetura pelagica
Chimney Swift | Vencejo de chimenea
De schoorsteengierzwaluw broedt in het oosten van Noord-Amerika en overwintert in het westen van het Amazonebekken. Op weg daarheen en terug trekt de populatie in het voor- en najaar door het gidsgebied, vooral langs de Golfkust van Mexico en de Caribische kant van Midden-Amerika, soms in groepen van honderden tot duizenden vogels. Het is een kleine, donkere gierzwaluw die met snelle, stijve vleugelslagen en korte glijvluchten jaagt. Tussen de standvogels van het geslacht Chaetura is hij in het veld vaak moeilijk met zekerheid te herkennen.
Geluid
Een luid, droog, snel gekwetter, tsjip-tsjip-tsjip, vaak versneld tot een ratelende reeks; ook losse tsjip-roepen. Trekkende groepen roepen veel; de roep is luider en minder hoog dan die van de vaux' gierzwaluw.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12–14 cm, met een sigaarvormig lichaam, lange, smalle, licht gebogen vleugels en een korte, afgeronde staart met stekelige veerschachten. Het verenkleed is egaal donker grijsbruin, met een lichtere grijze keel en een stuit die nauwelijks lichter is dan de rug. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. In vlucht wisselen snelle, schokkerige slagen af met korte glijvluchten.
Verwarringssoorten
De vaux' gierzwaluw Chaetura vauxi is kleiner en korter, met kortere vleugels, een lichtere borst en een iets lichtere stuit; in het veld zijn beide soorten vaak alleen aan formaat en roep te onderscheiden, en veel waarnemingen blijven onbepaald. De witbandgierzwaluw Chaetura spinicaudus, de costaricaanse gierzwaluw Chaetura fumosa, de grijsstuitgierzwaluw Chaetura cinereiventris en de kortstaartgierzwaluw Chaetura brachyura hebben een duidelijk lichtere stuit of stuitband. De zwarte gierzwaluw Cypseloides niger is groter en zwarter, met een langere, licht gevorkte staart en een tragere vlucht.
Leefgebied
Tijdens de trek in het luchtruim boven vrijwel elk landschap: kustvlakten en stranden, laaglandbos en bosranden, open landbouwgebied, meren en rivieren, dorpen en steden. Jaagt in de lucht op kleine vliegende insecten, vaak samen met zwaluwen en andere gierzwaluwen. Overnacht in groepen in schoorstenen, holle bomen of andere verticale holtes. Volgt tijdens de trek vooral de laaglanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Doortrekker in een groot deel van het gidsgebied, het talrijkst langs de Golfkust van Tamaulipas en Veracruz, op het schiereiland Yucatán, in Belize en aan de Caribische kant van Honduras, Costa Rica en Panama; aan de Pacifische kant en in het binnenland schaarser. In het noordoosten van Mexico worden ook in juni en juli af en toe vogels gezien; broeden in het gidsgebied is niet met zekerheid vastgesteld. Broedt in het oosten van de Verenigde Staten en het zuidoosten van Canada; overwintert vooral in Peru, Ecuador, het westen van Brazilië en het noorden van Chili.
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is in oktober, als groepen na het passeren van een koufront laag langs de Caribische kust van Costa Rica en Panama en langs de Golfkust van Veracruz trekken, en in april. Losse gierzwaluwen tussen zwaluwen boven open terrein of water verdienen een tweede blik; formaat, de lange vleugels en de luide, droge roep zijn de beste aanwijzingen.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar volgens de IUCN. De broedpopulatie is sinds de jaren zestig sterk afgenomen. Mogelijke oorzaken zijn de achteruitgang van vliegende insecten, het verdwijnen of afsluiten van schoorstenen om in te broeden en te slapen, en stormen tijdens de trek. In het gidsgebied zijn geen specifieke bedreigingen bekend.
Wetenschappelijke naam
Chaetura pelagica | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo Pelagica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chaetura werd in 1826 ingevoerd door Stephens. Chaetura is Grieks, van khaitē 'haar, borstel' en oura 'staart', naar de stekelige uitstekende schachten van de staartpennen. pelagica is Latijn voor 'van de open zee' (Grieks pelagikos); een vreemde naam voor een landvogel, mogelijk bedoeld voor zijn rondzwervende leefwijze. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina, Verenigde Staten.





