Alle soorten › Zangvogels › Ovenvogels en muisspechten › Schubkeelbladkrabber

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Schubkeelbladkrabber | Sclerurus guatemalensis

Scaly-throated Leaftosser | Tirahojas barbiescamado

De schubkeelbladkrabber is een gedrongen, donkerbruine grondvogel van vochtig laaglandbos, met een lichte, geschubde keel. Net als andere bladkrabbers gooit hij met de snavel bladeren van de bosbodem om, op zoek naar insecten. Hij laat zich zelden goed zien, maar verraadt zich door zijn luide zang en scherpe roep.

Schubkeelbladkrabber (Sclerurus guatemalensis)
Foto: Don Faulkner — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een luide, versnellende reeks scherpe fluittonen die aan het eind wat afzwakken. De roep is een scherp, doordringend spiek, vaak bij het opvliegen.

Luister: ZangXC1177031

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm. Bovendelen egaal donkerbruin, stuit nauwelijks lichter; staart kort en zwartachtig. Keel witachtig met donkere schubtekening, borst bruin met lichte, okerkleurige schubben, buik donkerbruin. Snavel vrij kort, recht en stevig, zwartachtig. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De bruinkeelbladkrabber Sclerurus mexicanus heeft een egaal roodbruine keel en borst, een roodbruine stuit en een langere, licht gebogen snavel en leeft meestal hoger. De grijskeelbladkrabber Sclerurus albigularis (Costa Rica en het westen van Panama, hoger in de bergen) heeft een grijze keel en een roodbruine borstband zonder schubben.

Leefgebied

Bodem van vochtig altijdgroen laaglandbos en voetheuvelbos, ook in oud secundair bos; vooral op schaduwrijke plekken met veel strooisel, vaak in de buurt van beekjes en ravijnen. Graaft voor het nest een gang in een aarden wal of oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Zuidoosten van Mexico (vanaf het zuiden van Veracruz en het noorden van Oaxaca door Tabasco en Chiapas, ook op het schiereiland Yucatán) door Belize, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Costa Rica tot Panama. Buiten het gidsgebied in Colombia en het noordwesten van Ecuador.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te zoeken in groter laaglandbos zoals bij La Selva in Costa Rica. Letten op het geritsel van omgewoelde bladeren; een opgeschrikte vogel vliegt laag weg en landt vaak op een lage tak.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Vrij schaars en gebonden aan aaneengesloten bos; verdwijnt waar het bos wordt gekapt of sterk versnipperd.

Wetenschappelijke naam

Sclerurus guatemalensis | (Hartlaub, 1844)

Hartlaub beschreef de soort in 1844 als Tinactor guatemalensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sclerurus werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Sclerurus is Grieks, van sklēros 'stijf, hard' en oura 'staart', naar de stijve staartpennen. guatemalensis betekent 'uit Guatemala', het land waaruit het typeexemplaar vermoedelijk kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guatemala (afgeleid; geen vindplaats vermeld).