Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Sierlijke stern

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Sierlijke stern | Thalasseus elegans

Elegant Tern | Charrán elegante

De sierlijke stern is een middelgrote kuifstern van de Pacifische kust, met een lange, licht gebogen oranje snavel en een lange, ruige kuif. Vrijwel de hele wereldpopulatie broedt op enkele eilandjes, met verreweg de grootste kolonie op Isla Rasa in de Golf van Californië. Na de broedtijd trekken de vogels deels noordwaarts naar Californië en deels zuidwaarts langs de kust tot Peru en Chili.

Sierlijke stern (Thalasseus elegans)
Foto: Regular Daddy — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een raspend, schurend kerreek of kar-reek, vergelijkbaar met de roep van andere kuifsterns, maar iets hoger dan bij de koningsstern; in kolonies een voortdurend gekrijs.

Luister: VluchtroepXC566535

Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

39–43 cm, slank, met lange, smalle vleugels, een gevorkte staart en een lange, dunne, licht hangende snavel, oranje tot geeloranje en naar de punt vaak bleker. In broedkleed een zwarte kap met een lange, ruige kuif die over de nek hangt; buiten de broedtijd is het voorhoofd wit, maar reikt het zwart van de achterkop doorgaans tot rond het oog. De bovendelen zijn lichtgrijs, de onderdelen wit, in het voorjaar vaak met een roze waas. De poten zijn zwart. Jonge vogels hebben een geelachtige snavel en donkere vlekken op de vleugels.

Verwarrings­soorten

De koningsstern Thalasseus maximus is groter en zwaarder, met een dikkere, rechtere, dieper oranje snavel, een kortere kuif en in de winter een witter voorhoofd waarbij het zwart het oog niet bereikt. De grote stern Thalasseus sandvicensis heeft een zwarte snavel met gele punt. De reuzenstern Hydroprogne caspia is veel groter, met een dikke rode snavel en geen kuif.

Leefgebied

Kustwater, baaien, lagunes, riviermondingen en havens. Rust in groepen op stranden, zandbanken, steigers en kades, vaak tussen koningssterns. Vist door in het water te duiken, vooral op ansjovis en sardines. Broedt in zeer dichte kolonies op kale eilandjes, vaak samen met koningssterns en meeuwen.

Verspreiding en trek

Broedt vooral op Isla Rasa in de Golf van Californië, en in kleinere aantallen op enkele andere eilanden in de golf en in lagunes aan de Pacifische kust van Baja California. Buiten de broedtijd langs de hele Pacifische kust van Mexico en Midden-Amerika tot Panama, in het zuiden schaarser; aan de Caribische kant zeer zeldzaam. Buiten het gidsgebied broedt de soort ook in Zuid-Californië en overwintert ze langs de kust van Zuid-Amerika tot Peru en Chili.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Golf van Californië zijn van het voorjaar tot de zomer vissende vogels langs de kust en in de baaien te zien. Buiten de broedtijd zijn rustende groepen sterns op stranden en steigers langs de Pacifische kust de plek om naar de lange, hangende oranje snavel en de lange kuif te zoeken.

Staat van instandhouding

Gevoelig. Doordat bijna alle vogels op enkele eilandjes broeden, is de soort kwetsbaar voor verstoring, ingevoerde roofdieren en schommelingen in de voorraad ansjovis en sardines door El Niño. Op Isla Rasa is de kolonie sterk gegroeid sinds ratten en muizen er zijn verwijderd en het eiland wordt bewaakt.

Wetenschappelijke naam

Thalasseus elegans | (Gambel, 1849)

Gambel beschreef de soort in 1849 als Sterna elegans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thalasseus werd in 1822 ingevoerd door Boie. Thalasseus is afgeleid van het Oudgriekse thalassa 'zee'. elegans is Latijn voor 'sierlijk, fijn'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mazatlán in Mexico.