Alle soorten › Zangvogels › Staartmezen › Struikmees

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Struikmees | Psaltriparus minimus

American Bushtit | Sastrecillo

De struikmees is een van de kleinste zangvogels van het gidsgebied: een grijsbruine vogel met een ronde kop, een stompe snavel en een lange staart. Hij leeft buiten de broedtijd in groepen van tien tot veertig vogels die al roepend door struiken en boomkronen trekken. In het gidsgebied komt hij voor van Baja California en het noorden van Mexico tot in Guatemala.

Struikmees (Psaltriparus minimus)
Foto: Polinova — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Groepen laten voortdurend zachte, hoge tsit- en pst-roepjes horen. Bij gevaar van een roofvogel zetten alle vogels van de groep tegelijk een hoog, trillend alarm in en blijven ze stil zitten. Een echte zang is er nauwelijks.

Luister: RoepXC1024967

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm, waarvan bijna de helft staart. Verenkleed effen grijs tot grijsbruin, onderdelen lichter, zonder vleugelstrepen. Snavel zeer kort en zwart. Het mannetje heeft een donker oog, het vrouwtje een bleekgeel oog. De kleur van kop en wangen verschilt per gebied: in Baja California en het noorden vaak een bruine kruin of bruine wangen, verder zuidelijk grijzer; in de bergen van Mexico en Guatemala hebben vooral mannetjes een zwarte of zwart gevlekte oorvlek.

Verwarrings­soorten

De blauwgrijze muggenvanger Polioptila caerulea is slanker, blauwgrijs, met een witte oogring en een zwart-witte staart. De geelkopmees Auriparus flaviceps leeft in woestijnstruweel en heeft als volwassen vogel een gele kop. De roodkroonhaan Corthylio calendula is olijfgroen met witte vleugelstrepen en een korte staart. Struikmezen bewegen bijna altijd in groepen, de andere soorten meestal alleen of in paren.

Leefgebied

Pijn-eikenbos, eikenbos en jeneverbesstruweel in de bergen, chaparral en ander dicht struikgewas, beboste oevers en ook parken en tuinen. Eet vooral kleine insecten en spinnen die van bladeren en twijgen worden gepikt. Het nest is een lange, hangende zak van mos, spinrag en plantenpluis.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied in Baja California, in de bergen en op de hoogvlakten van het noorden en midden van Mexico en verder zuidwaarts door de hooglanden van Oaxaca en Chiapas tot in Guatemala. Buiten het gidsgebied in het westen van de Verenigde Staten tot in het zuidwesten van Canada.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het snelst te vinden op het gehoor: een groep die door de struiken trekt, verraadt zich door het aanhoudende zachte getjilp. De vogels komen vaak een voor een achter elkaar over een open plek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wijdverbreid en plaatselijk algemeen in struweel en bergbos.

Wetenschappelijke naam

Psaltriparus minimus | (Townsend, 1837)

Townsend beschreef de soort in 1837 als Parus minimus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Psaltriparus werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte. Psaltriparus combineert Psaltria (Grieks psaltria 'harpspeelster', geslacht van de dwergbuidelmees) met Parus 'mees'. minimus is Latijn voor 'kleinste', naar het nietige formaat van dit vogeltje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bossen langs de Columbia, vermoedelijk bij Fort Vancouver, Washington, VS.